Burgemeester Zomer in de archieven

Als lid van de subcommissie van weldadigheid Steenwijk is Zomer betrokken bij de uiterst moeizame selectie van een Steenwijks gezin (boek blz. 67-69), de eerste moeilijkheden tussen dat gezin en de ingedeelden (blz. 103-104) en het uit de kolonie verbannen van dat gezin (118 ev). Hij is dus ook een van de opstellers van de brief die Steenwijk daarover schrijft.

Zomer krijgt het honorair lidmaatschap van de Maatschappij toegekend. Alleen laat het bijbehorende diploma nogal op zich wachten:

Uit een brief van Johannes v.d. Bosch aan Maatschappij-secretaris W.A. Ockerse dd 28 februari 1820:
Het is van het uiterste belang aan de Heeren Schuurman, Tut­tel, Somer en Mid­dendorp hunne diploma’s als honoraire en corresponderende leden te zenden. Ik heb dit reeds meermalen verzocht. Is het dan zoo moeijelijk deze door den Prins te laten teke­nen en mij dezelven te zenden?

Johannes van den Bosch heeft plannen voor een nieuw aan te leggen kanaal dat de kolonie verbindt met de Zuiderzee aan de ene kant en met Groningen aan de andere kant:

Uit een brief van Johannes vd Bosch aan de Perma­nente Commissie dd 27 juni 1820::
Ik heb gister en eergister de direktie van het kanaal opgeno­men met mijn broeder, burgemeester Zomer en de Heer van Roijen. Het zelve zal uitnemend slagen. Wij hebben vijf uren­ lang tot half weg de knieen door een moeras gewaad. De Heer van Roijen is hier onder bijna bezweken.

Uit de notulen van de Permanente Commissie dd 14 juli 1820:
De Generaal vdB rapporteert op den brief no.61/7 en stelt voor den Heer C. van der Meer aanteschrijven dat de burgemeester Zomer te Steenwijk en de Heer van Rooyen te Vledder met alle omstandigheden betrek­kelijk het kanaal bekend zijn, en dus de Kom­mis­sie aan ZijnEd. pponeert om zich bij die Heeren ter bekooming der noodige informatie te adresseren, kunnende de 2e adsessor niet voor het begin van augustus den Haag verla­ten.

Om meer gezag over de kolonisten uit te kunnen oefenen vraagt de Maatschappij aan de koning om een Raad van Policie op te mogen richten. December 1820 komt de goedkeuring en begin 1821 is het zo ver:

Brief van burgemeester Zomer aan de pc dd 9 januari 1821:
Ten gevolge der gedane aanschrijving van de Permanente Kommissie van Weldadigheid van den 28 december ll. no.70/12 en kragtens de daarbij op ons verleende authorisatie hebben wij de leden van het stedelijk bestuur der stad Steenwijk, de Heeren schouten van Vledder en Steenwijkerwold, benevens den Heer vrederegter van het kanton Steenwijk, zijnde de Heren Zomer, Tuttel, Middendorp, Schuurman, van Roijen en Fabius, na vooraf te hebben gedeclameert, de hun opgedragene commissie ten belange der Maatschappij volwaardig te willen aannemen, op heden alhier op den raadhuis, als Raad van Policie der kolonie geconstitioneerd, waarvan dezelve uit hare leden voor de tijd van een jaar verkozen heeft tot president den Heer S.J. van Roijen en tot secretaris den Heer C.J. Fabius.
De Burgemeester der stad Steenwijk
F. Zomer
ter ordonantie derzelve
H. Middendorp, secretaris

Zomer volvoert die taak niet zoals Johannes van den Bosch het graag ziet. Bijvoorbeeld als de kolonist Thijs Douwes de Haan voor de raad gebracht wordt en Johannes wil dat die naar de strafkolonie Ommerschans verwijderd wordt:

Uit een brief van Johannes van den Bosch aan de pc dd 26 mei 1821:
Aan de Raad van Policie overgegeven, heeft dezelve in weerwil dat alle de opgegeven daadzaken erkent zijn, hem tot een gevangenis van drie dagen ver­oordeelt.
De Heer Visser nog ik hebben niets gespaard om de noodzakelijkheid van zijne verwijdering aantetonen.
Drie stem­men wa­ren daar voor: de Heer van Royen, doctor Schuurman en burgemeester Tuttel, eijgenlijk de Prince partij, daar en tegen waren bur­gemeester Zomer, de Heer Midden­dorp en de schout Fabius van een ander gevoelen.
De stemmen staakten aanvankelijk dan daar de Heer van Royen bij de volgende vergade­ring niet tegenwoordig zijn kon, is het vonnis uitgewezen zo als ik heb opgegeven.
Ik voor­zie dat wij met deze Raad nog veel zullen hebben te haspelen en stel derhalve het hier bij gevoegd concept besluit voor. De opsteller beroept zich bij herhaling dat de Kommissie niet bepaalde­lijk hare verzoeken opge­geven hebbende, zij alleen naar eigen oordeel han­delen kan en doet, met ongemerkt voelen dat zij geloofd dat wij hunne poten gebrui­ken willen om de kastanjes uit het vuur te halen. Il ont peur de se bruler. Het zal dus nodig zijn hun meer bepaald met onze oogmerken bekent te maken, waartoe nevensgaand be­sluit mijnes inziens kan dienstbaar zijn.

Het gaat daarna een tijdje beter en de Raad van Policie doet meer wat de Maatschappij wil (behalve dat ze bij ongehuwde zwangerschappen wat soepeler zijn dan de Maatschappij), maar na een aantal jaren vindt Johannes van den Bosch het toch nodig de tuchtrechtspraak in eigen hand te nemen en schrijft hij een daarvoor bedoeld reglement.