Krabshuis in de archieven

Uit de voordracht door de subcommissie Almelo op 8 oktober 1818: Hendrikus Krabshuis, oud 38 jaren, landbouwer, klompenmaker en mandemaker van zijn beroep, gehuwd aan Aaltjen Krommendijk, oud 32 jaren, spinster en boerwerkster, hebbende drie kinderen, als: een jongen van 6½, een van 5½ en een meisje van bijna 2 jaren, zijnde de ouders voor zoo ver ons bekend is, van een onbesproken gedrag, geheel vrijwillig in hunne keus, en alle van eene zeer goede gezondheid
Alleen de bekendmaking, dat er misschien nog dezen herfst een behoeftig huisgezin uit deze gemeente in de kolonie zoude overgebragt worden, heeft ten gevolge gehad, dat in den tijd van twee dagen het getal der leden met twee en veertig vermeerderd is.

Volgens de aankomstlijst komen de Krabshuisen op zondag 1 november 1818 in de kolonie aan.

Op 12 november 1818: Melding door de subcommissie van het vertrek van het gezin in de Staatscourant

Uit een brief van directeur Benjamin van den Bosch van 19 november 1818: De subcommissie van Almelo heeft mij geinformeerd dat het van daar vertrokkene huisgezin niet uit 5 maar slegts uit 4 personen bestond, dewijl den oudste zoon 7 jaar oud, Hannes genaamd, niet van de grootvader daar hij opgevoed was had kunnen scheiden, men bood aan geweld te gebruiken wanneer de Kommissie de opzending van dit kind mogt begeeren.

NB: van dit vriendelijke aanbod van Almelo wordt geen gebruik gemaakt. Waarschijnlijk komt de jongen later uit vrije wil toch naar de kolonie.

28 december 1818 wordt Almelo door Benjamin genoemd als een van de voorbeelden van ‘ subcommissies die ons zodanige gezinnen zonden die de Maatschappij ter bereiking van haar groot doel zou kunnen verlangen’..

Eind van het jaar mag Krabshuis met verlof naar zijn woonplaats en zegt daar blijkbaar positieve dingen, want Benjamin schrijft 31 december 1818 aan de pc: Den brief van de subcommissie van Almelo heb ik hier bijgevoegd ten einde de Perm Kommissie daar uit te meer de goeden geest die het grootste gedeelte der kolonisten bezield leer kennen. Bij het ouvrirement in de kolonie, van den kolonist in genoemde brief voorkomende, verzogt de subcommissie mij – zo als meer anderen hebben gedaan, bij geleegenheid eenig malen berigt: Ik voldoe hier aan zeer gaarne, dewijl ik van de meeste het beste getuigenis geven kan en hier door zeker iets tot de goede zaak kontribueer; hoewel ik zeer wel gevoel dat ook hier in met omzichtigheid moet worden te werk gegaan.

Genoemde brief van Almelo is in het archief niet gevonden.

Op 30 juli 1819 beschrijft Benjamin van den Bosch hoe hij met enkele kolonisten in Hoogeveen koeien gekocht heeft en naar Frederiksoord gedreven: In den nacht is op deze zeer moeijelijkste tocht een der koeijen, ruim vier uren ver van de markt zijnde, ontlopen. De kolonist Krabshuis die dezelve dadelijk naar de plaats van waar zij is volgde, kan nog niet zijn aangekomen. Ik stel daar in echter geen swarigheid.

Zie voor beloningen voor kolonisten augustus 1819, voor donaties watersnoodramp februari 1820, beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files.

Uit de Star van augustus 1820: Ook de onder-opziener meder en de kolonist krabshuis, die met vele landbouwkunde bijna alle nieuw aangelegde gronden bezaaid heeft, hebben beide, benevens vele andere … aanspraak op belooningen verworven.

Uit een brief van de nieuwe directeur Wouter Visser van 28 maart 1822: Voorts ontvangt de Permanente Kommissie hier bij berigt dat de kolonist Krabshuis ll. zondag, zich verregaande bedronken hebbende, hij voor de Raad van Opzieners in de kolonien is gebragt; en dat, door deeze Raad provisioneel het dragen der medaille aan hem is ontzegt; ik neem ten gevolge daar van de vrijheid de Permanente Kommissie te verzoeken, mij tot het definitief afnemen dier medaille te authoriseren.

Uit een brief van Wouter Visser van 17 april 1822: In antwoord op de missives der Permanente Kommissie van den 12 april N 25/4 en 15 daaraanvolgend N 29/4 heb ik de eer te rescriberen, voor eerst dat de kolonist Krabshuis, belooft hebbende geen sterken drank meer te zullen gebruiken, aan hem overeenkomstig het gevoelen der Permanente Kommissie het dragen zijner medaille wederom is toegestaan.

Uit de Star van augustus 1822, het door Johannes van den Bosch geschreven jaarverslag, pagina 569: Alreeds heeft de Kolonist Krabshuis uit zijne overwinst vier paarden aangekocht, en twee koeijen, boven en behalve de twee, welke de Maatschappij de Kolonisten verstrekt.
Uit dezelfde bron over de eerdere dronkenschap van Krabshuis en een mede-kolonist: Hun berouw en hunne getrouwe pligtsbetragting na dien tijd hebben ons doen besluiten hunne namen niet openlijk bekend te maken.

Over de subcommissie Almelo schrijft Johannes van den Bosch aan de pc op 2 september 1822:
(…)
    Nog voeg ik hier bij eene missive van de Heer Ainsworth, mij bekent als een braaf man, en tot de aanzienelijkste inwoonders te Almelo te behoren. Ik had die man inlichtingen gevraagd wegens het slappe gedrag der subkommissie van die plaats, en daar op dit antwoord ontvangen. Ik geef thans in bedenking de subkommissie alsdaar te bedanken en met de Heer Ainsworth in correspondentie te treden wegens het benoemen eer nieuwe. Vind de Permanente Kommissie die goed, beneffens dat ik die corresponditie op mij nemen, dan verzoek ik de bijgaande terug te ontvangen.
    Met hoogachting na vriendelijke groeten, heb ik de eer te zijn
UWelEd DWDienaar
J. van den Bosch

Gezinsuitbreiding oktober 1822:
Vledder, geboorteakte, 13 oktober 1822, aktenr. 41; Kind: Lukas Krabshuis, geboren te Frederiksoord (Vledder) op 09-10-1822, zoon van Hendrikus Krabshuis, beroep: landbouwer; oud: 43 jaren, en Aaltje Krommedijk, oud: 35 jaren.
Lucas komt voor in verhaaltje nr 4 op de pagina http://www.schackmann.nl/proefkolonie/Archief/VerhalenWilhelminaoord1.html.