Molenaar in de archieven

Uit de voordracht van de subcommissie Haarlem dd 12 september 1818:  (…) Het gevolg hiervan is geweest dat verscheiden huisgezinnen, door gemelde armbestuurders aan ons zijn opgegeven geworden. Wij hebben dan ook die opgaven met alle nauwkeurigheid naagegaan en overwogen en daarna het huisgezin van Jan Molenaar door de bestuurders der Nederduitsche Gereformeerde Diaconie en Aalmoezeniers-armen alhier bedeeld wordende het meest voldoende aan de oogmerken geoordeeld.
Dit huisgezin (bestaande uit man, vrouw en 4 kinderen, namelijk 2 jongens van 13 & 14 jaar en 2 meisjes van 11 & 9 jaar, bevindende de vrouw zich daar en boven in een hoogzwangeren staat) is van uitersten volvaardig en geneigd om leden der colonie te worden. En wij moeten UWEds te hunne opzigte verder informeren, dat de man een aardwerker van beroep, 33 jaar oud is, en van een gezond en genoegzaam sterk ligchaamgestel schijnt te zijn, doch dat de vrouw het spinnen niet verstaat. Wij hebben echter reeds order gesteld, ten einde haar dit te doen aanleeren.
Dit huisgezin alzoo aan UWEds te voorschreven einde voordragende, zal het ons aangenaam zijn bij aldien hetzelve mogt worden aangenomen, te mogen weten den waarschijnlijke tijd, dat hetzelve zal worden opgeroepen om te vertrekken.

De subcommissie Haarlem jokt een beetje over de leeftijden van Molenaars kinderen om het gezin geplaatst te krijgen. Voorwaarde was immers dat er een ‘aankomende jongen’ en een ‘aankomend meisje’ tot het kolonistengezin behoren.

De Molenaars horen tot de gezinnen die in de kazerne in Amsterdam worden opgevangen, zie de illustratie boek bladzij 32

In een brief van Benjamin van den Bosch dd 28 december 1818 wordt Haarlem genoemd als een van de subcommissies die ‘ons zodanige gezinnen’ (zonden) ‘die de Maatschappij ter bereiking van haar groot doel zou kunnen verlangen’.

Zie ook beloningen voor kolonisten augustus 1819, voor donaties watersnoodramp februari 1820, beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 29 december 1819: Den Kolonist Molenaar uit Haarlem heeft het meest van zijne gronden getrokken. Dit is alleen door bijzonder oppassendheid en vlijt veroorzaakt, dewijl de kwaliteit van grond in geene deele tot de beste behoorde.
Wanneer de gouden medaille door opbrengst der landerijen zal worden verdiend, dan zeker kan deze aan Molenaar niet ontgaan. Hij heeft het zo ver gebragt dat hij zonder daghuur een geruime tijd kan bestaan, en besteed zijn tijd zeer vlijtig op eigen akker.
Hij was de eenige die in het afgelopen jaar zijn grond schoon reeds geploegd, voor de helft omspitte – terwijl de tijd hem verhinderde zulks geheel te doen – en toen geene verdiensten van belang hebbende, de voeding op schuld nam, en daar na s’wekelijks door 2 stuivers van de ƒ 1 op de verdienste meer betaalde.
Bij dit huisgezin, dat ook van een bijzonder goed zedelijk gedrag is, heeft zich de graaf van Hoogendorp terwijl zij aan zaten, lang opgehouden. (…) Ik heb gemeend dit brave huisgezin bij de Kommissie te moeten aanbevelen.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 7 juni 1820: Heden is mede hier aangekomen de jongeling Hendrik Douwes uit Leeuwarden en bij den kolonist Molenaar in de kolonie no. 1 ingedeelt.

De Star van oktober 1820: Vele kolonisten hebben, na het afbetalen hunner huur en het opleggen van hunnen eigen wintervoorraad, nog eene aanmerkelijke hoeveelheid van voortbrengselen te verkoopen. Zoo b.v. hebben molenaar van Haarlem en gerards van Rotterdam, na afbetaling en na aftrek hunner poot-aardappelen, ieder meer dan 400 schepels aardappelen verkocht, ongerekend hunne voorraad van garst, haver of boekweit.

Volgens het stamboek Ommerschans betrekt Molenaar op 15 juli 1822 een hoeve bij de Ommerschans, zie De bedelaarskolonie p 69.

De Star van augustus 1822: Zes buitenwoningen, bestemd voor zoo vele groote hoevenaars, zijn bijkans gereed. Een der daarvoor bestemde kolonisten, met name molenaar, is reeds derwaarts verplaatst, en zal spoedig door vijf anderen, even verdienstelijk als hij, gevolgd worden.

De Star van augustus 1822, pag 569: De Kolonist Molenaar heeft, na het afbetalen zijner jaarlijksche lasten, en bij het noodige tot zijn onderhoud, in het verleden jaar nog voor f 93,00 aan produkten verkocht.

 

Volgens het brievenboek met invnr 20 is er een brief gedateerd woensdag 6 november 1822 van:A. Blassé de Jonge te Leiden, geeft nader berigt, wegens eene ongepaste uitdrukking van zekere koloniste, te Ommerschans

 

Die wordt doorgestuurd naar directeur Wouter Visser en die reageert op 17 november 1822, invnr 63:

Dat de koloniste in den ontv: particulieren brief bedoeld, niemand anders dan de vrouw van Molenaar zijn kan; maar ook dat deeze vrouw uit hare bekende gevoelens te oordeelen, zeker onkundig is van de kwade gevolgen welde de benaming van “slaven” hebben kan, daar zij die anders niet zoude bezigen; intusschen zal ik van de eerste gelegenheid gebruik maken haar het gevaarlijk van zulke uitdrukkingen te doen gevoelen, en tevens de overige kolonisten buiten de Ommerschans daar tegen waarschuwen.