Visser – in de archieven

Uit de voordrachtsbrief van de subcommissie Grootebroek dd 31 oktober 1818:
Wat de gesteldheid van hetzelve betreft.
De man, oud bijna 38 jaar, is van goede ligchaams krachten voorzien, heeft de noodige kennis van den landbouw en is met een, in zijnen kring, boven middelmatig verstand bedeeld, waar door hij de colonie niet ongeschikt zoude zijn.
De vrouw heeft eene ouderdom van 29 jaar en konde, jong zijnde, gemakkelijk zich in de vrouwelijke werkzaamheden der kolonie bekwamen. De kinderen hebben eene ouderdom van 12 tot 1 jaar.

Uit een brief van directeur der koloniën Benjamin van den Bosch dd 16 december 1818: Visser is op de betalingslijst zijne geheele verdienste uitbetaald, eenige buitengewone uitgaven doen moetende is zulks door den 2. assessor geaccordeerd.

Uit een brief van Benjamin dd 6 januari 1819: Terwijl ik als leden van den raad van toezigt, ter nadere aprobatie aan de Kommissie voorstel Klaas Visser en Jan Butt welke door mij provisioneel waren benoemd.

Uit het maandblad de Star van januari 1819: (…) brief van dominee de Kemper over de godsdienstige toestand van de kolonie. Hij maakt daarin melding van een brief die hij gekregen heeft van kolonist Visser, “bevattende zijne vreugde-betuiging over de geschonkene gelegenheid tot het uitoefenen van den openbaren Godsdienst”.

Op 9 januari 1819 en 20 januari 1819 zit Visser als lid van de Raad van Toezicht bij de in het boek beschreven tuchtzittingen over de affaire Burks, die al snel de affaire Dikkeboom wordt.

Uit een brief van Benjamin dd 15 februari 1819: De grond achter Visser, die men thans ploegd, is bijzonder goed. (…) Al de greppen aan deze zeiden van de weg, die naar het grote gebouw en het Broek loopt, leggen geheel schuin. Zo dat Visser met zijn land achter zijn buurman Westervelt, deze achter Weender enzovoorts heen schiet.

Uit een brief van Benjamin dd 12 juni 1819 na de inspectie van goederen: Te meer nog heeft het mij getroffen, dewijl ik onder de schuldigen ook eenige onzer best oppassendste kolonisten, ja zelfs de beider leden van den Raad van toezieners, aantreffen.

Zie voor beloningen voor kolonisten augustus 1819, voor donaties watersnoodramp februari 1820, beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomens over 1820 de desbetreffende files bij de stukken over de proefkolonie.

Uit een brief van Benjamin dd 29 december 1819: Visser, Westerveld en beide de joden hebben de beste gronden gehad. Alleen Westerveld heeft in aardappelen, zijne huur geheel afbetaald.

Gezinsuitbreiding in april 1820 Vledder, geboorteakte, 8 april 1820, aktenr. 9
Kind: Koosje Visser, geboren te Frederiksoord (Vledder) op 08-04-1820, dochter van Nikolaas Visser, beroep: arbeider; oud: 32 jaren, en Maria Ruiter, oud: 30 jaren.

Als Visser na deze geboorte een brief heeft geschreven dat hij door ‘mijn vele en alle nog jonge kinderen’ de kost op de kolonie niet kan verdienen (boek blz. 247), besluit de permanente commissie (notulen pc dd 15 mei 1820):
Dat wat de brief des kolonist Visser aangaat, het de Kommissie gebleken is uit de sterkte van dit huisgezin en de jongheid der kinderen, dat de man voornamelijk alleen de kost zou moeten verdienen en hiertoe te zwak is, indien hij 3 dagen ‘s weeks op zijn eigen akker arbeiden moet; dat hij uit dien hoofde valt in de termen van art. … (opengelaten) van het reglement der noodige huishouding opgegeven, als onderstand behoevende; dat de Kommissie uit dien hoofde besloten heeft, aan genoemden Visser wekelijks toeteleggen de som van twee guldens, boven de gewone verdiensten van 3 dagen in de week, tot zoo lang de arbeid op zijnen grond verrigt zal zijn, en hij dus meerder dagen ‘s weeks voor eigen rekening zal kunnen arbeiden, met herinnering tevens, dat aan zoodanige toelage het verlies verbonden is van over de voortbrengselen van zijnen grond zelf te kunnen beschikken, uit gedrukt bij art. … (opengelaten) van het gemelde reglement, welk een en ander door den Direkteur aan gem. kolonist zal worden medegedeeld.

In een brief van de nieuwe spinbaas Anthonie Brouwer dd 5 juni 1820 noemt hij Visser ‘een slecht spinner’, maar rekent hij hem niet tot de brutalen.

Uit de notulen pc 4 november 1820: (…) de kommissie van toevoorzigt bij een te roepen, na alvorens het lid Visser door den kolonist onderopzigter Meder te hebben doen vervangen

Uit de notulen pc dd 9 september 1821: (…) en eindelijk de kolonist Klaas Visser uit no.1 voor 8 dagen gevangenis, als zijnde hij zoo veel dagen over de bij zijn verlof bepaalden tijd buiten de kolonie gebleven.

In het 19 februari 1823 gedateerde schoolrapport over 1822 wordt ook genoemd als ‘ hebbende uitgemunt in gedrag en vorderingen: Jantje Visser’,

Daarna blijft het gezin zich gestaag uitbreiden, Ze verhuizen in 1825 naar kolonie 2, dan keert Visser in 1830 als wijkmeester terug in kolonie 1, maar wordt hij een jaar later als gewoon kolonist geplaatst in kolonie 3 en vertrekt hij tenslotte in 1838 naar Veenhuizen III als arbeidershuisgezin. Daar zullen ze altijd blijven.

In de tussentijd heeft Klaas Visser ook een rol gespeeld in de affaire rond de “Vluchtige beschrijving” in 1828. Visser schrijft een verweerschrift tegen dit voor de Maatschappij belastende werkje, dat in de Vriend des Vaderlands geplaatst werd. Het was ook Visser die suggereerde dat de voormalig onder-directeur Wardenburg de schrijver van de “Vluchtige beschrijving” zou zijn.
De tegenstanders van de Maatschappij brachten weer in dat Visser niet de schrijver van het verweerschrift zou zijn, maar meester van Wolda, met wie Visser vaak gezien werd de laatste tijd. Visser zou niet in staat zijn een goede brief op te stellen. Maar dat is allemaal niet waar. Het origineel van Vissers geschrift bevindt zich in het archief  en daaraan is te zien dat hij het zelf geschreven heeft.
Wardenburg gaat er, in het boekwerkje met zijn reactie, overigens wel van uit dat Visser de brief zelf geschreven heeft, al voegt hij toe dat deze sterk onder de invloed moet hebben gestaan van het bestuur van de kolonie. In zijn boek heeft hij het dan ook over “Visser en komp.”.

Klaas Visser wordt vermeld op de pagina Tucht 1825-1837 als in 1837 zijn dochter Koosje moet voorkomen.