Haan – in de archieven

Sneek behoort tot de eerste vijftien steden die juli 1818 melden een subcommissie van weldadigheid te hebben opgericht.

Uit de voordracht van Sneek dd 20 oktober 1818:
    Dat wij, na herhaalde vruchteloze pogingen, eindelijk geslaagd zijn in het vinden van een huisgezin, hetwelk zeer genegen is en ons toeschijnt, volgens de renseignementen deswegens bij ons ingekomen, zeer geschikt te zijn, om in de kleine kolonie te Westerbeeksloot te worden opgenomen, bestaande uit man en vrouw, één dochter, en één zoon.
    De naam van de man is: Thijs Douwes de Haan, hij is oud 39 jaren, geboren en wonende te Sneek, opgevoed bij den boer, kundig in boerderij van melk-vee, en éénigermate bedreven in den landbouw.
     Zijn vrouw is genaamt Fetje Tjeerds Siderius, oud 27 jaren, geboren te Workum, zij kan zeer goed naijen en breiden en maakt mans- en vrouwenklederen.
     De dochter is 17 jaren oud, en heeft reeds twee jaren bij den boer gediend. Het zoontje is nog slechts drie jaren oud.
    Allen zijn frisch, gezond en sterk; en, zooverre ons bekend, van een goed zedelijk gedrag, doch door bijzondere omstandigheden in armoede geraakt, en thans zonder genoegzaam werk, om er van te kunnen leven.
     Deze Thijs Douwes de Haan is in persoon naar Westerbeeksloot gereisd, en, van daar komende, heeft hij ons berigt, dat alles hem aldaar zulk een gunstig uitzicht gaf, dat hij nu zeer hartelijk solliciteerde, om met de zijnen in die kolonie te mogen worden opgenomen.

Als proefkolonist Stellinga enkele dagen na aankomst overlijdt, krijgt Sneek een woedende brief van de pc dat ze zo’n doodzieke kolonist gestuurd hebben. Daarop volgt het besluit van de pc dd 14 november 1818:
   Om, daar het als nu gebleken is, dat de klagt des Direk­teurs over het huisgezin van Stellinga niet Sneek maar Stavoren reguardeert, aan die van Sneek op den hunnen te antwoor­den, te hunner verontschuldiging. Maar tevens aan de subk. Stavoren het ongenoegen der P.K. te kennen te geven.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 9 maart 1819:
     Over het weesmeisje bij Brandsma ingedeelt, heb ik reeds vroeger aan de Permanente Kommissie geschreven, ten einde hetzelve in het huis van Lubber Jansen te doen overgaan.
      Nog steeds schijnt het mij wenschelijk te zijn, dit kind uit het huis van Bransma wet te neemen, dewijl het zelve tot aanhoudende twisten aanleiding geeft.
     Het kind, dat geen gunstigen aanleg verraad, behoorde, zo mogelijk in een goed zedelijk huisge zin over te gaan. Aan de Haan zou men het niet wel kunnen vertrouwen.

Gezinsuitbreiding mei 1819: Vledder, geboorteakte, 23 mei 1819, aktenr. 6
Kind: Catharina de Haan, geboren te Frederiksoord (Vledder) op 21-05-1819, dochter van Thijs Douwes de Haan, beroep: arbeider; oud: 45 jaren, en Fetje Sederis, oud: 28 jaren. (Catharina zal overlijden in 1826)

Op 22 mei 1819 behoort Sneek tot de 22 steden die de gelden over 1818 nog niet met de pc afgerekend hebben.

Uit een brief van Benjamin over het krijgen van koeien 3 augustus 1819:  De Haan, (…) en (…) verdienen door hun weinig oppassend gedrag, bijna niet in deze voorrechten te delen, zij behoren ten minste de laatste te zijn bij de verdeling.

Zie voor beloningen voor kolonisten augustus 1819, voor donaties watersnoodramp februari 1820, beoordelingsrapport door de directie juni 1820 en de jaarinkomen over 1820 de desbetreffende files.

Uit een brief van Benjamin van den Bosch dd 6 februari 1821:
     Ik moet de Permanente Kommissie met leedwezen berichten, dat een harer kolonisten, Jacobus de Vroeg genaamd, zondag avond den 4 dezer van Noordwoude terugkomende, het ongeluk hadt, digt bij kolonie no.2 waarvan hij inwoner was, in de scheepsloot te vallen en te verdrinken.
     Hij was een braaf man, en zijne reeds bejaarde vrouw, en vier, nog gedeeltelijk jonge kinderen hebben zeer veel verloren.
     De kolonist de Hahn zou den ongelukkigen zonder eenig gevaar hebben kunnen redden, dewijl hij met een wagen voorbijkwam en op het geroep om hulp, deze niet geboden, maar uit de kolonie als nabij zijnde, toegezegd heeft.
     Deze hulp kwam te laat en de Hahn, die dezelve niet eenmaal in persoon aanvoerde, heeft door zijn ongevoelig en schandelijk gedrag, den braven de Vroeg doen verloren gaan.
     Ik heb alle pogingen tot behoud van den verdronkenen doen aanwenden. De geneesheer uit de nabijheid ontboden was spoedig daar, en heeft alle mogelijke middelen verder aangewend, maar zonder eenig gevolg.
     Ik heb de kolonist de Hahn over zijn aller slechts gedrag mijne verontwaardiging betuigd en gezegt daar van aan de Kommissie te zullen verslag doen. Hij bragt tot zijne verschoning bij, dat hij niet tot aan de kniën kan in het water gaan, zonder gevaar te lopen van zelf te verdrinken, en meer dergelijke ellendige excuses waarvan de slechtaard zich gewoonlijk bedient.

Uit de notulen pc dd 9 februari 1821:
     Besloten den Direkteur aanteschrijven dat de P.K. met verontwaardiging het lusteloos gedrag van de kolonist de Haan vernomen heeft, en dat de P.K., ten bewijze van haar misnoegen deswegen besloten heeft, dien kolonist tot nader order geen verlof te laten verlenen, naar elders; en dat hij vooreerst niet zal genoodigd worden ter bijwoning van de publieke vermakelijkheden in de kolonie.

Uit een brief van Johannes van den Bosch dd 26 mei 1821:
    De Haan, een der grootste en ongevoeligste luijaards wiens huisgezin tevens tot de liederlijkste en zedelooste behoord, word na dat de Heer Visser een paar dagen zich in de kolonie gevestigd had, op de weg door dezelve ontmoet stomdronken.
    Des anderdaags hier over ten ernstlijkst onderhouden beloofd hij beterschap, doch verlaat niet te min twee dagen daar na het werk in kolonie no.4 en was den geheelen dag niet te vinden.
     Des avonds te huis komende deed de Heer Visser hem bij de onder officier logeren met last om hem ieder dag onder het geleide van een onder officier op het werk te brengen, waarop hij aan den officier die hem geleide verzekerde dat hij het werk verdomde en werkelijk den anderen dag zich niet hield.
      Zondag daar aan volgende verzocht hij permissie om ter kerke te mogen gaan, dat hem te Vledder gepermitteerd werd.
     Dan hij ontsnapt andermaal, begaf het naar Steenwijk, dronk er zich dronken en liep voor schandaal langs de weg en kwam niet meer voor des nagts terug.
     Wij nu al het voorgaande achten gedeeltelijk bij de Kommissie bekent en ieder zal zeker toestemmen dat de verzending van zulk een sujet volstrekt nodig is.
     Aan de Raad van Policie overgegeven, heeft dezelve in weerwil dat alle de opgegeven daadzaken erkent zijn, hem tot een gevangenis van drie dagen veroordeelt.
     De Heer Visser nog ik hebben niets gespaard om de noodzakelijkheid van zijne verwijdering aantetonen.
     Drie stemmen waren daar voor: de Heer van Royen, doctor Schuurman en burgemeester Tuttel, eijgenlijk de Prince(?) partij, daar en tegen waren burgemeester Zomer, de Heer Middendorp en de schout Fabius van een ander gevoelen.
     De stemmen staakten aanvankelijk dan daar de Heer van Royen bij de volgende vergadering niet tegenwoordig zijn kon, is het vonnis uitgewezen zo als ik heb opgegeven.

Uit een brief van de pc aan de raad van policie dd 29 mei 1821:
     De Permanente Kommissie, overwegende, dat het voor de belangen van de Maatschappij allezins nodig is, dat schadelijke voorwerpen uit de koloniën worden geweerd en naar de Ommerschans verplaatst.
     Overwegende, dat het luy en schadelijke sujet de Haan sints lang der kolonie tot last verstrekt, en inzonderheid, dat zijne laatste gedraging en zoodanige verwijdering hadden gevorderd; overwegende dat hij des niet te min, met eene detentie van slechts weinige dagen is terug gezonden, en zulke daar aan alleen kan worden toegeschreven, dat de Raad van Policie niet voldoende met de belangen van de Maatschappij bekend is, en het dien ten gevolge noodig is, meer bepaaldelijk de gevallen aantewijzen, welke eene verwijdering naar de Ommer schans noodig maken;
(volgen nieuwe voorschriften)

Gezinsuitbreiding december 1821  Vledder, geboorteakte, 1 december 1821, aktenr. 40
Kind: Tjeert de Haan, geboren te Frederiksoord (Vledder) op 30-11-1821, zoon van Thijs Douwes de Haan, beroep: arbeider; oud: 48 jaren, en Fetje Séderics, oud: 31 jaren.

Uit een brief van Wouter Visser dd 15 december 1821: Als mede dat opheden door de Raad van Policie te Steenwijk naar de Ommerschans zijn verwezen, uit kolonie no.1 de kolonist de Haan (…)

Oudste dochter Eeltje wordt vroegtijdig vrijgelaten van de schans, zie elders op de site.

Het stamboek Ommerschans vermeldt: Matthijs Douwes de Haan, 16-12-21 gekomen, op 19-7-1824 een mislukte desertie, op 6-9-1826 ontslagen.