Jacob van Luijpen in de archieven

Een nieuwere en uitgebreidere versie van deze pagina staat op schackmann.nl

Het kost de subcommissie van weldadigheid Maassluis erg veel moeite een opvolger te vinden voor Breukel. Volgens hun komt dat door de terugzending van hun eerste proefkolonisten:
Daarenboven insinueerde het retour van meergemeld huisgezin zigtbaar op zoodanig verarmde lieden welke onzes bedunkens geschikt voor de kolonie zouden zijn, in zoo verre, dat zij sedert zich daarvan afkeerig toonden & in het vertrek derwaarts niet verkozen te bewilligen, welke afkeer alleen haren oorsprong ontleende uit de nadeelige verhalen door Breukel c.s met betrekking tot de kolonie zo hier als elders verspreid.

Pas anderhalf jaar na Breukels vertrek vinden ze Van Luijpen. Terwijl andere steden wier kolonist was teruggezonden als reactie uiterst volgzame opvolgers zonden (Amersfoort zond Hopman ter vervanging van Metz; Tiel liet De Vos opvolgen door Van Os; enz.), is Luijpen blijkbaar ook niet op zijn mondje gevallen. Hij begint te klagen over het koloniale systeem en dat wordt bij de Maatschappij nu eenmaal niet gepikt:

Uit een brief van directeur Wouter Visser aan de pc dd 8 mei 1823 over een in zijn bezit gekomen brief waaarin Van Luijpen zich blijkbaar zorgen maakt over zijn levensonderhoud:
En betreffende den in omloop zijnde brief, presumtif door den kolonist van Luijpe geschreven, dat, genoemde kolonist is schrijver des briefs, ‘t geen hij eerst wilde ontkennen; dat voorts volgens zijn eigen beken­tenis hij geniet de gewone voeding zoals die thans in de kolonien wordt verstrekt, bestaande in 2 maal s weeks een half schepel aardappelen, de overige vijf dagen gort, erwten & bonen bij afwisseling.
(…)
Dan het zal niet nodig zijn aan te merken dat dit zeer natuurlijk is; ook omtrend de vrees van voortaan maar 4 pond brood daags te zullen ontvangen behoeft niets te worden gezegd, terwijl ingeval dit gebeurde de kolonist van Luijpe wel de vrijheid zoude nemen dit bekend te maken; eindelijk het afhalen zijner aardappelen op een listige wijze, de aardappelen waren bevrozen en zoude zeker al heel spoedig zijn verrot, men heeft dien toen met zijne voorkennis als geleend, om aan andere te verstrekken; op deze ogenblik is reeds zijn grond met een groter getal schepels bepoot.
Ook hier was derhalve zijne vrees geheel ongegrond, gelijk de geheele inhoud des briefs; en bestaat alzo niet als uit laster en leugentaal, ten gevolge daarvan zal den schrijver voor de Raad van Policie te Steenwijk worden gebragt en waarschijnlijk naar de Ommerschans verwezen.

En uit een brief van Wouter Visser aan de pc dd 17 mei 1823:
De gedeserteerde L. van den Burg is in de kolonie teruggekomen, en benevens de kolonist van Luipen voor den Raad van Politie te Steenwijk gebragt; de eerste is voor twee dagen in Steenwijk opgesloten, terwijl de tweede eenige waarheeden ontkende en zoo ik vertrouw onwaarhe­den als daadzaken wilde volhouden, is deze zake niet kunnen worden getermineerd; de Raad van Opzieners in de kolonien waarbij ik niet tegen­woordig was, geen genoegzaam informatien bekomen hebbende, zal ik die of den Heer Drijber voortzetten, en den beschuldigde opnieuw te Steenwijk brengen.

Uit een brief van de permanente commissie (pc) aan de Raad van Policie dd 22 juli 1823 blijkt het te gaan om klachten van Van Luijpen jegens een wijkmeester. De pc instrueert de Raad van Policie nader:
Van ons medelid den Heer J. van den Bosch vernomen hebben­de, dat bij UWEd. eenige bedenkingen zijn opgerezen omtrent de wezenlijke bedoeling en strekking van UL werkzaamheden, en bepaaldelijk met betrek­king tot de bij UWEd. ingekomene klagten van de kolonist van Luijpen tegen zekeren wijkmeester, zoo achten wij het niet ondienstig en hebben de eer UWEd. hieromtrent, zoo voor dit geval als voor alle toekomende van dien aard, de noodige opheldering te geven.
Bij de werkzaamheden, welke ten gevolge van Z.M. besluit van 16 dec. 1820, en dat van de P.K. in do 28 daarna, benevens hare nadere bepalingen van den 29 mei 1821, aan UWEd. zorgen zijn opgedragen, als het onzijdig onderzoek der tegen kolonisten ingebragte klagten, wegens overtree­ding der bestaande reglementen, en het opleggen van de daarbij bepaalde straffen, is het nimmer de bedoeling geweest, noch heeft het die naar den aard der zaak ooit kunnen zijn, om de klagten van kolonisten tegen geëmployeerden van de Direktie der koloniën door UWEd. te doen onderzoe­ke
(…)
De strekking ook van de bepaling dat, de kolonisten klagten meenende te hebben over geemployeerden, dezelve bij UWEd. niettere(?) kruinen(?) voorbrengen, is geene andere dan dat, indien zodanige klagen bij UWEd. mogten inkomen, dezelve alsdan regtstreeks en zonder tusschenkomst van de koloniale Direktie door UWEd. aan ons mogen worden medegedeeld, ten einde wij daarnaar het noodige onderzoek zouden kunnen doen
(…)
Het zal ons alzoo aangenaam zijn, de klagten van N. Luipe van UWEd. te vernemen, waarop wij niet zullen nalaten, daarnaar het noodige te onderzoek te doen.

Dit loopt met een sisser af, maar twee jaar later, 1 juni 1825, wordt het gezin toch gestraft met een verbanning naar de strafkolonie. Zie een plaatje uit het inschrijvingsregister van de strafkolonie (Drents Archief, toegang 0186, invnr 1442, folio 20). Zoon Pieter is doorgestreept omdat hij in 1826 in militaire dienst is gegaan.

Luijpen

Ze mogen pas in 1829 terug naar de gewone kolonie, maar gaan zes jaar daarna met ontslag.