Kornelis Mulder in de archieven

Uit een brief van Van Ewijk aan professor Van Swinderen (onderwijskundige te Groningen) dd 1 oktober 1818 over een onderhoud met “Directeuren” van de Maatschappij:
Geheel zijn zij in dit plan ingetreden, en bijzonder de Generaal vd Bosch met wien ik dan meer bepaaldelijk gesproken heb, ziet het ding in het rechte oogpunt en is volkomen overtuigd van de belangrijkheid der zaak.
Hij wilde alleen niet, dat de Koning er in zou betrokken worden, vooreerst om dat die reeds in zijn particulier, een zeer ruime gift aan de Maatschappij gedaan hebbende, men zelfs indirect of in de verte geene aanleiding moest geven om soms te kunnen doen denken, dat de Maatschappij door zijdelingsche wegen nog meer van Hem zocht te verkrijgen; ten tweede omdat hij zoodanige kweekeling gaarna aan de Maatschappij wilden verbinden, hetgeen altijd minder het geval zou zijn, wanneer die van Gouvernementswege naar Zwitserland gezonden wierd.”

Van Ewijk heeft met de Maatschappij afgesproken dat zij de kwekeling bij terugkomst voorlopig een jaarsalaris van ƒ 300,- garandeert naast kost en inwoning, alsmede een “rang zoo zij het noemen, van onder directeur, welke hem, naar de eenigzins militaire organisatie der kolonie, de behoorlijke achting en het vereischte gezag en aanzien in die kolonie zou verzekeren.”

Kloosterhuis citeert op pagina 145 van haar boek een brief van Van Ewijk van 16 oktober 1818:
‘Ik verzoeke U Ed. mij de kosten in rekening te brengen welke het verblijf van den kweekeling Mulder bij den heer von Fellenberg in Zwitserland mogt komen te veroorzaken, daaronder begrepen de kosten gindsch en herwaarts, verbindende ik mij bij deeze, of mijne regtverkrijgenden, om voor de voldoening deezer onkosten te zorgen.’

Gedateerd 16 oktober 1818 is een aanmeldingsbrief voor K. Mulder, geschreven in het Frans. Onduidelijk is wie hem geschreven heeft. Hierin wordt Mulder omschreven als een 16 à 17-jarige jongen van landarbeidende ouders. Verder wordt er kort uitgelegd wat er van hem in zijn toekomstige functie binnen de kolonie verwacht wordt.

Brief van Th. van Swinderen aan de Permanente Commissie:
Groningen den 19 november 1818
Ik heb de eer UWE bij dezen te berigten, dat de kweekeling Kornelis Mulder naar het Armen Instituut te Hofwyl vertrokken is; dat ik hem derwaarts de noodige recommandatie brieven heb medegegeven, en tweehonderdenvijftig gulden heb voorgeschoten (te weten tweehonderd, als hem geaccordeerd voor zijne heenreis, en vijftig voor zijn aanvankelijk verblijf aldaar, waartoe hem honderdvijftig in het jaar is toegezegd, welke penningen UWE wel de goedheid zullen willen hebben mij te remitteren.
Th. van Swinderen

Vrijdag 20 november 1818: Uit de Groninger Courant
In het bijvoegsel van dit dubbeldikke nummer wordt gemeld dat ‘van hier’ Kornelis Mulder is vertrokken en wordt uitgelegd met welke bedoeling dat is.

Zondag 20 december 1818 uit een brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie:
Amsterdam 20 december 1818
Men heeft mij vertelt, dat het Fellenbersche instituut ophoudt te bestaan. Zulks zoude mij leed doen voor den kwekeling van den Heer Th. van Swinderen.

Dat door Ameshoff opgevangen gerucht blijkt niet juist te zijn. In de Star van april 1819 staat vanaf pagina 322 een beschrijving van het instituut Hofwijl, zie hier.

Ingekomen post van de permanente commissie oktober 1819:
Twee brieven uit Hofwyl uit 1819, in het Duits en in het Frans, over Mulder. Daarin valt onder meer te lezen dat deze “guthmuthigkeit und Zartgefühl” bezit, hetgeen hem geschikt maakt als opvoeder van arme kinderen. Voorts veel hoogdravende praat: “Wird er die ihm zu gebende höhere und reinere Ansicht des Lanbaus haben, wird er die Einsicht besitzen, dass durch die Veredlung des Landbaus die Menschen am sichersten veredelt werden, dass sorgfaltige Leitung und Erziehung in und durch den edlen Ackerbau Äusseres und Inneres gewint, die Erde und Menschen zu einem neuen Paradise heranwachsen.”
De Franstalige brief is van Fellenberg zelf. Daarin schrijft hij dat Mulder helemaal niet uit een landarbeidersomgeving komt, maar in een stad is opgegroeid en niets weet van het werk op de velden. Maar hij toont goede wil, al moet zijn karakter nog wel gevormd worden. Over het algemeen is men zeer tevreden met hem.

Er moet dan wel uitstel van militaire dienst voor de jongeman aangevraagd worden:

Uit de notulen van de permanente commissie dd 27 december 1819:
Missive van de kommissie tot het schoolonderwijs te Groningen, 23 dec., vraagt het goedvinden der P.K. omtrent de rekwisitie van den kwekeling K. Mulder tot den milit. dienst. In handen van den Generaal.

Uit een brief van Van Swinderen aan de pc dd 15 mei 1820:
Ik maak van deze gelegenheid gebruik om de Permanente Commissie te verwijzen naar de letteroefeningen voor dit jaar no. VI mengelw:U:263, waar eene zeer gunstige getuigenis voor komt van iemand die den kwekeling Mulder bij den Heer Fellenberg gezien heeft.
Th. van Swinderen

Uit een brief van Johannes van den Bosch aan prins Frederik dd 10 dec 1820:
Met den elève, thans bij den Heer Fellenberg onderwezen wordende hebben wij zeer verre uitzigten. Wij zullen namelijk onze eigen onderopzieners, wijkmeesters, onderDirekteurs enzv. voor ‘t vervolg zelf vormen; Wij wenschen dus aan uitstekende jongelingen die opleiding te geven, dat zij in ‘t vervolg, ook ten aanzien der zedelijkheid, voordeelig werken kunnen op de kolonisten. Onze elève moet ons daartoe dienstig zijn; Wij zullen hem de keuze van zoodanige jongelingen van 13 jaren, als hij voor die betrekking geschikt oordeelt, overlaten; dezen met hem in een bijzonder huis afzonderen; de vereischten grond en bouwmaterialen verschaffen, benevens al dat gene wat tot hunne opleiding en bestemming verders noodig zal zijn; na een onderwijs van vijf a zes jaren, zullen zij hunne functien beginnen uitteoefenen, en daarin opklimmen naar mate hunner verdiensten; een onderDirekteur kan bij ons rekenen op ƒ 1,000:- inkomen; zoo dat aan deze jongelingen een schoon perspectief geopend is.

Uit een brief van Johannes van den Bosch vanuit Frederiksoord aan de pc dd 18 december 1821:
Ik zend hier nevens de rekening van de Heer Fellenberg, groot (pond) 1.525- schwitsersche livres, ieder van 16 stuivers Holland, beneffens een rekening van de Heer Bagman voor beleden transport onkosten. Ik stel voor de Heer Bagman toetezenden een mandaat ten bedrage dier beide sommen en dezelve van wegens de Kommissie te verzoeken aan de Heer Fellenberg een wissel op Parijs te zenden ten bedrage zijner pretentien. De welvoegelijkheid vordert in deze eene spoedige betaling waarvan ik de vrijheid gebruik eene spoedige afdoening in deze te verzoeken.

Kornelis Mulder krijgt eerst wat onderdirecteurstaken:

Uit een brief van de pc aan Wouter Visser dd 26 januari 1822:
Zij keurt ten hoogste goed uwe uitnodiging aan de Heer Adjunct Direkteur Drijber en aan Mulder om te zorgen voor de properiteit in de woningen en betuigt aan bijde deze Heeren hare tevredenheid wegens hunne iever waar mede zij het maken van schulden tegen gaan, die zij als verniewde bewijzen van hunne hartelijke bevordering der belangens van de Maatschappij aanneemt, gelijk zij mede hare goedkeuring wenscht betuigd te zien aan de boekhouders van kolonie N1 en 2.

Zoals in september in de Star bevestigd:
De elève van den Heer van fellenberg, mulder, sedert ongeveer een jaar in de koloniën aanwezig, heeft in onderscheidene betrekkingen vele diensten bewezen; zijn braaf karakter en zijne bekwaamheden strekken even zeer te zijner aanbeveling, als tot eer van zijnen opvoeder, en het zal den zedigen menschenvriend, die de kosten van zijn verblijf gedurende 3 jaren in Zwitserland gedragen heeft, voorzeker tot genoegen verstrekken, dit ons openbaar getuigenis te mogen vernemen.

Voor hij aan zijn eigenlijke bestemming begint:

Uit het jaarverslag gepubliceerd dd 16 augustus 1822:
Ook ter invoering van een meer ontwikkeld, normaal landbouwkundig onderwijs, zijn de noodige maatregelen genomen. De élève mulder is thans, na 3 jaren op het instituut bij den Heer fellenberg in Zwitserland doorgebragt te hebben, terug gekeerd. Eene school, met de daarbij noodige gronden, waarin de meest-uitmuntende jongelingen uit de koloniën zullen worden geplaatst, word werkelijk opgerigt. Mannen, even zoo achtingswaardig door hun karakter, als door hunne talenten, gelijk de Heer Prof. van swinderen, bieden ons de behulpzame hand, om brave jongelingen aan te kweeken, en dezelve, zoowel theoretisch als praktisch, den landbouw te leeren beoefenen. Uit deeze eigene kweekelingen zullen wij naderhand Opzieners, Wijkmeesters en Onder- Direkteurs, in de koloniën kunnen kiezen.

En dan moet er definitieve vrijsteling aangevraagd (29 december 1823):

Missive aan den Koning tot appui van een rekwest van K. Mulder om eene akte van vrijstelling van den Milit: Dienst tot aangaan van een huwelijk in betrekking als instituteur in de kolonien der Maatschappij.

De Permanente Kommissie van Weldadigheid veroorlooft zich, om het verzoek van K. Mulder, instituteur in dienst der M., en bestemd om eerlang aan het hoofd van het instituut van landbouwkundige opvoeding te Wateren geplaatst te worden, alleszins bij Uwe K.H. eerbiediglijk te ondersteunen. Zij moet niet alleen de gronden, door de rekwestrant daartoe aangevoerd, volkomen billijken, maar tevens onder de aandacht van Uwe K.H. brengen, dat K. Mulder door de mildadigheid van de(?) kommers(?) een vriend, opzettelijk daartoe naar het instituut van de Heer von Fellenberg is gezonden, en aldaar bijna vier jaren lang onderwijs genoten heeft, opdat hij in opgem. betrekking aan de Maatschappij zoud kunnen dienstbaar zijn. Dat hij met de meeste vrucht dien leertijd voltooid heeft, en thans uitnemend geschikt en waardig is als instituteur in gemeld instituut optetreden; dat dit het eenig middel is, om de koloniën op den duur van kundige en waardige subalterne ambtenaren, waarvan voor de kolonisatie zoo veel afhangt, te voorzien. Ja zelfs voor den algemeenen nationalen landbouw een aantal bekwame bouwmeesters te vormen, waarvan het gewigt door den Heer Prof. Kops in deszelfs rapport van 25 oktober ll. aan de Kom missie van Toevoorzigt is aangetoond; ja dat hij, K. Mulder de eenige landgenoot zij, die voor dezen post in de school van den Heer Fellenberg de noodige kundigheden heeft opgedaan, zijn persoon door niemand anders zoude kunnen worden gerem placeerd, en hij dus voor de Maatschappij van onontbeerlijk belang is geworden.
Redenen waarom de P.K. zijn verzoek het hare makende, op het eerbiedigst de gunstige dispositite van Uwe K.H. durft verwachten.
De Kommissie acht zich gelukkig, van aan Uwe K.H. de hulde harer getrouwen verkleefdheid en onderdanigheid wederom te mogen aanbieden.

Uit de notulen van de pc dd 17 februari 1824:
Kopie van Z.M. Besluit, in do 4 february 1824 N115. Verleent aan K. Mulder, instituteur in de koln vrijheid, om zonder het permissie billet van den kommr van zijn korps zich in den huwelijken staat te begeven.

Daarna werkt hij als Instituteur op het landbouwkundig instituut in Wateren. Zie over zijn methode van lesgeven De kinderkolonie p 111-112.

In 1831 wordt hij adjunct-directeur van de bedelaarskolonie op de Ommerschans en daar overlijdt hij 25 december 1833.