Burgemeester Tuttel in de archieven

Al in augustus 1818 probeert de Maatschappij van Weldadigheid het Steenwijkerwoldeheideveld (waar in 1820 Willemsoord zal worden opgericht) te bemachtigen. Betrokkenen bij dat veld richten een onderhandelingsdelegatie op.

Uit een brief van schout Fabius van Steenwijkerwold aan de pc dd 2 augustus 1818:
Dat de commissie uit hun midden, be­staande uit de gemeen­tevaderen Heine Gert van Essen en Willem Hogeman, benevens de erfgenamen Koop Dedden, Pieter Koster en jhr. J.H. Tuttel behoorden, te worden geaut­horiseerd om over het te cederen heideveld in minnelij­ke conferentie te treden met de Commissie van Weldadigheid, of een of meer leden uit dezelve.

In die periode, dus augustus 1818, weigert de eigenaar van Westerbeeksloot, Nobel, nog om het landgoed Westerbeeksloot aan de Maatschappij te verkopen. Schout Stephanus van Roijen gaat het, met de uit Amsterdam gekomen taxateur Weisman en een lokale delegatie waar ook Tuttel deel van uitmaakt, van hem aftroggelen bij Nobel thuis in Harderwijk.

Uit een brief van Stephanus van Roijen aan de pc dd 6 augustus 1818:
Gepasseerde zaturdag, dadelijk na de aankomst van den Heer Weijsman, wanneer ik UHWGebGestr. missieve van D. 30 july nog niet had ontvangen, heb ik mij naar Steenwijk begeven, ten einde de Heeren Schuurman en Tuttel, die ik wist dat veel invloed bij den Heer Nobel hadden te verzoe­ken met mij de reis naar Gelderland te doen, ten einde mij in de uitoefening van de aan mij opgedragene commissie behulpzaam te zijn; deeze Heeren hunne toestemming hier­toe geven­de, schreef ik dadelijk per expres eene missieve aan den Heer Nobel, dat ge­melde Heeren en ik de volgenden Dinsdag bij ZEd. aan huis zouden komen, om met hem over belangrijke zaken, waartoe wij gecom­man­deerd waren te spreken

Als dat gelukt is en op het landgoed Frederiksoord wordt opgericht, verzendt vanuit Amsterdam Petrus Ameshoff mest naar de kolonie-in-oprichting. In dat kader schrijvend heeft hij een nieuwtje.

Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie (pc) dd 7 september 1818:
Ik houde mij sterk bezig met de expeditie van de straatvuil. Tuttel is burgemeester gewor­den, en men is druk bezig met het Steenwijk­sche diep nabij Steenwijk te verbe­teren. Hoe men de ondieptens in dat kanaal zal wegne­men, zonder de vaart te belemme­ren weet ik niet.

Tuttel neemt in Steenwijk de mest in ontvangst en krijgt per post van Ameshoff te horen hoeveel de lading zou moeten zijn.

Uit een brief van Ameshoff aan de pc dd 11 september:
Ik zou voor 3 of 4 vaartuigen straatvuil voor mijn ver­trek zorgen, en voor het vertrek der schepen Tuttel te Steen­wijk, per post adviseeren. Wanneer de schepen zoo als ik geschreven heb 6 a 7 last voor onze reke­ning konde geligt worden, voorbij de Mugge­beet, en de pramen dadelijk naar de kolonie konden varen, geloof ik wij wezenlijk veel kosten bespaarden.

Diezelfde dag bedenkt de permanente commissie nog een klusje voor hem.

Uit de notulen permanente commissie dd 11 september 1818:
Besluit der P. Kommissie op heden. Om aan den H. van Royen en Tuttel te vragen of er voor nov. daar 50 spinnewielen, en eenige c d voor wol, kunnen geleverd worden, en tot wat prijs? Of er iemand is die voor een klei­ne schare, beide soorten van spinnerij, en zijne vrouw het breyen, grondig zou kunnen en willen onderwijzen in de kolonie?
.
Schepen met als mest bedoeld Amsterdams straatvuil arriveren bijna dagelijks.

Uit een brief van Ameshoff aan de Permanente Commissie dd 14 september 1818:
Schipper Toon Elskamp heeft in zijn praam geladen 22½ last straatvuil tegen ƒ50.- voor zijne rekening hier te laden, en te Steenwijk te lossen bij den Heer J.H. Tuttel.

Inmiddels is de subcommissie van weldadigheid Steenwijk, waar Tuttel ook deel van uitmaakt, van start gegaan met haar moeizame zoektocht naar een geschikt Steenwijks koloniaal gezin. Johannes van den Bosch prijst zijn activiteiten in een verslag voor prins Frederik.

Uit een verslag van Johannes van den Bosch aan prins Frederik rond 17 september 1818:
Ook de welmeenende en nuttige pogingen van de Heeren Tuttel en Schuurman, leden der subkommissie te Steenwijk, verdienen met erkentelij­ken lof vermeld te worden, hebbende de eerste dier Heeren, boven meer andere dienst­bewijzen, zich ook belast met het toezigt over de ver­voering der bouwstoffen, terwijl de tweede zich als geneesheer genegen heeft bestemd, om gewigtige bijdragen te verschaffen ten aanzien van het geen er voor de gezondheid der kolonisten, en tot regeling van een ge­schikte arbeid voor de kinderen, vereischt zal worden.

Het verslag verschijnt in iets gewijzigde vorm ook in de krant.

Uit de Staatscourant van 18 september 1818:
Al de inwoners der rondom Westerbeeksloot gelegen plaatsen beijveren zich om strijd, ter ijverige medewerking aan het plan der Maat­schappij, onder anderen, door het om niet beploegen van den koloniegrond. Onderscheiden bijzondere personen, vooral de heeren van Royen, te Vled­der, Tuttel en Schuurman, te Steenwijk, maken zich, door gewigtige diensten, bij de Maatschappij ten hoogste verdien­stelijk.

Maar bij het betalen van de schippers die vracht komen afleveren, moet Tuttel uit eigen zak voorschieten. En dat loopt uit de hand:

Brief van Tuttel aan Johannes van den Bosch dd 28 september 1818:
Steenwijk den 28 september 1818

Ik vinde mij in de volstrekte noodzakelijkheid UWEdGestr. te berigten dat ik (hoewel ik met al mijn hart zeer gaarne mijne pogingen wil aanwenden ten nutte der Commissie van Weldadig­heid, door te zorgen voor eene goe­de directie in het transpor­teeren van alle goederen van hier na de colonie, zoo vol­strekt noodzakelijk) wanneer ik geen contan­ten bekoome mijne opgeno­menene werk­zaame taak in deeze niet langer kan volbren­gen, vermits ik op heeden reeds eenduizend­zeven­entwintig gulden meer hebbe betaald dan ontvangen, welke voorschot­ten dage­lijks continueeren en zelf accresseeren, door welk vooruitzigt mijne eigene aanwezige contanten spoedig zullen versmolten zijn en ik genood­zaakt met het uitbetalen mij niet verder te bemoei­en daar ik gaarne al mijn verstand en gedurige administratie voor het fonds van Weldadigheid wil inspannen en over hebben, maar niet in het geval koomen om mij van die contanten te ontbloot­en die mij in mijne werk­zaame kring volstrekt nood­za­kelijk zijn.

Ik solliciteer derhalve UWEdGestr. zeer vriendelijk mij ten minste binnen de korst mogelijke tijd ter goeder rekening te bezor­gen twee a drieduizend gulden, ten einde het inconve­nient hier vooren door mij ver­meld te doen ophouden.
In deeze verwachting betuig ik mij met alle onderdanigheid te zijn UWEdGestr. Heer!
UWEdGestr. DWD

J.H. Tuttel

Op die brief heeft Johannes van den Bosch een en ander gekrabbeld:
Aan de Heer Tuttel gezonden een mandaat van ƒ1027- met een missieve dat wij voor als nog niet in staat zijn aan zijn verlangen te voldoen om geld ter goeder rekening aan zijn Ed. omtrent (? onleesbaar) de kassier absent zijnde. Met verzoek tevens van bij voortduring met het voor­schieten van penningen voor vrach­ten uit te geven en hier aanleiding om de bijgaande (?? rest is onleesbaar).

Ook bij Ameshoff, die tevens kassier van de Maatschappij is, had Tuttel zijn beklag gedaan.

Uit een brief van Ameshoff aan de pc dd 30 september 1818:
Den Heer J. Tuttel scheef mij 26 dezer: “Ik solliciteer dringend dat UEd zorge ik per omgaand beurtschip contante bekome in plaats van mandaten, die ik altijd lange niet kan kwijt raken, terwijl ik geen gelden beko­mende, met mijn eigen kas in verlegendheid koomen zal, daar ik op heden buiten de ont­vangene mist reeds meer dan zeven­hon­derd vijftig guldens voorgeschoten hebbe en alle dagen daar mede moet continueeren waarom ik UEd zeer vriendelijk solliciteer van te willen bewerken dat mij ter goeder rekening de nodige contanten be­zorgt wor­den, als kun­nende met den besten wil voor de welda­dig­heid anders mij met geene beta­lingen meer ophouden.”
Ik verzoek u alzoo een mandaat op deze afdeeling te stellen aan mijne order, voor rekening van den Heer J. Tuttel, groot ƒ1500 en wel per ommegaande post ten einde aan ZEd bil­lijk verzoek te voldoen.

Een tijdje daarna krijgt Ameshoff hem steeds niet te pakken.

Uit een brief van Ameshoff aan de Perma­nente Commissie dd 16 oktober 1818:
Tuttel is meestal aan het jagen. Ik krijg volstrekt geen antwoord van hem noch over de kool, geld, noch over de mest.

Maar kort daarop is hij weer op zijn post. De contracten met schippers die materialen en kolonisten vervoeren noemen hem als afleveradres.

Contract met schipper Faber dd 24 oktober 1818:
Ik eerste ondergetekende G. Faber verklaar vervragt te hebben aan den tweede onder­getekenden Mr. Jeremias Cornelis Faber van Riems­dijk, lid der Permanente Kommissie van Weldadigheid en namens dezelve Kom­missie, stipulerende, welke ook erkend be­vragt te hebben, de eerstondergetekendens schip de Jonge Johannes groot zeventien lasten, ten einde daarin te ‘s Gra­venhage intenemen vijfender­tig hoofden, benevens de bijbehoor­ende huisraad en pakkagie, dezelve overte­voeren naar Steenwijk en aldaar dade­lijk bij de aankomst ter aante­wijzen bekwame plaats te lossen, voor al t welk de Perma­nen­te Kommissie van Welda­digheid aan den eersten ondergeteek­ende, zoodra zijne inge­nomen passagiers en goe­deren ter genoem­de plaats behoor­lijk zullen zijn aan wal ge­bragt en gelost, door den Heer J. Tuttel te Steenwijk, zal doen uitbe­talen eene somme van vijf­envijftig guldens, terwijl de eerstonder­tekende aanneemd, om de personen en goe­deren, welke zullen wor­den ingescheept, veilig ter bestemde plaatse overte­brengen.
‘s Gravenhage den 24 october 1818

Wanneer alles en iedereen aangekomen is, krijgt Tuttel het een stuk rustiger. Als dank voor zijn actieve steun krijgt hij het honorair lidmaatschap van de Maatschappij. Alleen laat het bijbehorende diploma nogal op zich wachten.

Uit een brief van Johannes v.d. Bosch aan Maatschappij-secretaris W.A. Ockerse dd 28 februari 1820:
Het is van het uiterste belang aan de Heeren Schuurman, Tut­tel, Somer en Mid­dendorp hunne diploma’s als honoraire en corresponderende leden te zenden. Ik heb dit reeds meermalen verzocht. Is het dan zoo moeijelijk deze door den Prins te laten teke­nen en mij dezelven te zenden?

Tuttel doet wat bemiddelingswerk, rond grondaankopen, rond wegenonderhoud, en wordt weer actiever na de oprichting van de Raad van Policie.

Brief van burgemeester Zomer aan de pc dd 9 januari 1821:
Ten gevolge der gedane aanschrijving van de Permanente Kommissie van Weldadigheid van den 28 december ll. no.70/12 en kragtens de daarbij op ons verleende authorisatie hebben wij de leden van het stedelijk bestuur der stad Steenwijk, de Heeren schouten van Vledder en Steenwijkerwold, benevens den Heer vrederegter van het kanton Steenwijk, zijnde de Heren Zomer, Tuttel, Middendorp, Schuurman, van Roijen en Fabius, na vooraf te hebben gedeclameert, de hun opgedragene commissie ten belange der Maatschappij volwaardig te willen aannemen, op heden alhier op den raadhuis, als Raad van Policie der kolonie geconstitioneerd, waarvan dezelve uit hare leden voor de tijd van een jaar verkozen heeft tot president den Heer S.J. van Roijen en tot secretaris den Heer C.J. Fabius.

De Burgemeester der stad Steenwijk
F. Zomer

ter ordonantie derzelve
H. Middendorp, secretaris

Tuttel behoort tot degenen die deze taak uitvoeren zoals Johannes van den Bosch het graag ziet. Bijvoorbeeld als de kolonist Thijs Douwes de Haan voor de raad gebracht wordt en Johannes wil dat die naar de strafkolonie Ommerschans gaat.

Uit een brief van Johannes van den Bosch aan de pc dd 26 mei 1821:
Aan de Raad van Policie overgegeven, heeft dezelve in weerwil dat alle de opgegeven daadzaken erkent zijn, hem tot een gevangenis van drie dagen ver­oordeelt.
De Heer Visser nog ik hebben niets gespaard om de noodzakelijkheid van zijne verwijdering aantetonen.
Drie stem­men wa­ren daar voor: de Heer van Royen, doctor Schuurman en burgemeester Tuttel, eijgenlijk de Prince partij, daar en tegen waren bur­gemeester Zomer, de Heer Midden­dorp en de schout Fabius van een ander gevoelen.
De stemmen staakten aanvankelijk dan daar de Heer van Royen bij de volgende vergade­ring niet tegenwoordig zijn kon, is het vonnis uitgewezen zo als ik heb opgegeven.
Ik voor­zie dat wij met deze Raad nog veel zullen hebben te haspelen en stel derhalve het hier bij gevoegd concept besluit voor. De opsteller beroept zich bij herhaling dat de Kommissie niet bepaalde­lijk hare verzoeken opge­geven hebbende, zij alleen naar eigen oordeel han­delen kan en doet, met ongemerkt voelen dat zij geloofd dat wij hunne poten gebrui­ken willen om de kastanjes uit het vuur te halen. Il ont peur de se bruler. Het zal dus nodig zijn hun meer bepaald met onze oogmerken bekent te maken, waartoe nevensgaand be­sluit mijnes inziens kan dienstbaar zijn.

Daarna doet de Raad van Policie vaker wat Johannes wil. De in dit laatste stukje bedoelde kolonist bijvoorbeeld (de Haan) zal in december van het jaar tot de strafkolonie veroordeeld worden. Alleen ten aanzien van ongehuwd zwangeren is de Raad soepeler dan de Maatschappij wil.

Vermoedelijk is burgemeester Tuttel de Jacobus Hillebrand die bedoeld wordt bij deze Tuttel-geschiedenis: http://www.tuttel.com/volkskunde/tuttels.pdf. Zoja, dan overlijdt hij in 1824 en verklaart dat zijn gebrek aan bemoeienis met de Maatschappij in later jaren.