inleiding op het reglement van de Maatschappij van Weldadigheid

Bron Archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186, invnr 2. NB: Het reglement zelf staat op www.schackmann.nl

‘Het meestal ontzenuwd en verbasterd Menschengeslacht onzer armen’

Concept-reglement dd 14 januari 1818

Waarde Landgenoten !
Reeds sedert eenen geruimen tijd verschenen er in ons Land vele nuttige geschriften, zoo over den toestand der armen, als over de middelen om dat talrijke gedeelte onzer Natuurgenoten, uit dien toestand van diepe ellende, en, daar uit spruitende zedelijke verbastering, allengskens optebeuren. Dit gewenschte doel echter van alle die lofwaardige pogingen kan niet worden bereikt, zoo lang een werkzaam vermogen de, als geschikt erkende, voorslagen ter verbetering niet dadelijk ter uitvoering brengt.

Het is waar, van de weldadige bezorgdheid onzes geëerbiedigden Konings voor het welzijn zijns Volks mag men, ook ten aanzien onzer armeninrigtingen, alles goeds verwachten. Doch wie eenigermate over dit gewigtig onderwerp heeft nagedacht, zal, meenen wij, erkennen moeten, dat, dewijl het er hier voornamelijk op aankomt, om den armen, door nuttigen arbeid, het noodige levensonderhoud te verschaffen, dit van de zijde des Gouvernements alleen bezwaarlijk geschieden kan. Of bestaat niet het grootste deel der armen, die onze hulp inroepen, uit vrouwen, uit kinderen, uit gebrekkelijke en door jaren, door slecht voedsel, of ziekte verzwakte mannen? En hoe zouden deze kunnen gebruikt worden tot eenen arbeid, als die is, welke het Gouvernement, ten behoeve van het algemeen welzijn, kan doen ondernemen?

Neen: het is in de behoefte onzer eigene huisgezinnen alleen, dat wij eenen minder zwaren, en voor de omstandigheden der armen meer geschikten arbeid vinden kunnen. Even gelijk de kinderen onzer Land- en Ambachtslieden, naar mate hunne krachten zich ontwikkelen, tot zwaarderen arbeid worden opgeleid; zoo ook moet het, meestal ontzenuwd en verbasterd, Menschengeslacht onzer armen, trapsgewijze, van eenen ligteren arbeid tot eenen zwaarderen opgevoerd, en bekwaam gemaakt worden om dezen arbeid tot hun eigen nut, zoo wel als tot nut van het algemeen, aantewenden.

Wij durven ons vlijen, dat dit heilzaam oogmerk zal kunnen bereikt worden, door aan onze reeds bestaande armen-inrigtingen, die, hoe doelmatig ook zamengesteld, thans echter, bij gebrek van debiet der verwerkte stoffen, veelal helaas ! kwijnen, de middelen te verschaffen, om zich uittebreiden en te verbeteren, door een veel uitgestrekter en verzekerd debiet. Dit debiet kan en zal, onzes inziens, worden verkregen door middel eener vrijwillige overeenkomst van een aantal Landgenoten, die, in vereeniging met ons tot dit edele doel, zich verbinden, om jaarlijks eene zekere hoeveelheid der verwerkte stoffen, in de huishoudingen noodzakelijk, tegen bepaalde prijzen aantenemen.

Tevens zal van dit middel gebruik kunnen worden gemaakt, om in alle hoofdplaatsen van ons Vaderland, waar zulke armen-inrigtingen nog ontbreken, dezelve te vestigen, en daar, waar ze reeds bestaan, aan dezelve alle die uitgebreidheid en kracht te geven, welke de omstandigheden vorderen. Zeer gering voorzeker zal de last der bijdragen wezen, welke tot dit einde gevorderd worden, indien wij anders, volgens het erkend weldadig karakter onzer natie, op talrijke deelgenoten mogen hopen.

Maar zouden, zal men mogelijk denken, de bestaande fabrieken daar bij niet lijden, en dus van den eenen kant zoo veel schade, als van de andere zijde nut, gesticht worden? Gewisselijk zoude eene onverstandige keuze hier nadeelig kunnen werken. Doch wij hebben ons stellig voorgenomen, om ook in dit opzigt met de meeste omzigtigheid te werk te gaan, en bij voorkeur dien arbeid aantemoedigen, welke ter vervanging van vreemde fabriekgoederen strekken kan.

Daar intusschen deze arbeid, gelijk de ondervinding heeft doen zien, ten aanzien der prijzen, de mededinging van vreemden niet kan uithouden, en bij gevolg altijd iets duurder moet worden betaald, zoo is het klaarblijkelijk, dat dit middel op zich zelve geenszins genoegzaam is om aan de geheele, thans zoo talrijke, klasse van armen een bestaan te verschaffen.

Men merke derhalve hetzelve alleenlijk aan als een hulpmiddel, om in den waarlijk dringenden nood van het oogenblik te voorzien: maar men merke het tevens aan als een voorbereidend middel, ter onderneming en instandbrenging van een veel uitgestrekter en algemeen nuttiger plan, om namelijk, op eene duurzame wijze, het lot van vele duizenden, thans om brood bedelende, te verbeteren, en deze onze Natuurgenoten, en hunne kinderen, uit de diepte hunner ellende en verbastering allengskens opteheffen.

Ten welken einde wij ons als het eenigste middel voorstellen, om provisioneel de meest geschikte personen, die onder de behoeftigen gevonden worden, en daarna anderen, trapswijze bekwaam te maken tot den veldarbeid, en hen vervolgens op de nog onbebouwde gronden van ons Vaderland, bij wijze van colonisatie, overtebrengen. Gelukt dit plan, dan moet natuurlijk de armoede van jaar tot jaar aanmerkelijk verminderen, en eindelijk geheel verdwijnen. Wij zullen derhalve in deze gewigtige zaak de bekwaamste mannen van ons Vaderland uitnoodigen, om ons voortelichten omtrent de wijze, op welke eene zoodanige onderneming, met gegronde hoop op eenen goeden uitslag kan worden aangevangen.

Voorts zullen wij door proefnemingen van middelbare uitgebreidheid onderzoeken, in hoe verre de best gekeurde ontwerpen, in de uitvoering, aan de verwachting beantwoorden, en tevens alle zulke voorstellen, als ons mogten worden toegezonden, of ter onzer kennis komen, en welke wij voor ons groote doel dienstig keuren, zoo naauwkeurig als dankbaar overwegen en beproeven.

De vereeniging van eenige welwillende ingezetenen tot zulk een edel doel kan voorzeker in geen opzigt geacht worden eenigzins te strijden of met de bedoelingen van het Gouvernement, of met die van eenig armenbestuur, en even weinig met eenige, reeds daargestelde of nog daarstellen, inrigtingen betrekkelijk het armenwezen. De onderneming bepaalt zich provisioneel (om zoo te spreken) bij de oprigting van eene groote fabriek van onderscheidene soorten van arbeid, waar in, bij uitsluiting, alleen behoeftigen, als arbeiders, naar hunne geschiktheid en krachten, zullen worden gebruikt. Aan deze onderneming komen derhalve alle die regten en eigenschappen toe, welke de wetten des Rijks aan alle geoorloofde ondernemingen toekennen.

Het is uit den aard der zake noodig geweest, aan eene bijzondere Commissie het algemeen bestuur dezer onderneming optedragen. Tevens hebben wij gemeend, eene tweede Commissie met het onderzoek der jaarlijksche verantwoording van uitgave en ontvangst te moeten belasten. Zijne Koninklijke Hoogheid, Prins FREDERIK, heeft de bescherming onzer verbroedering wel op zich willen nemen, en het Voorzitterschap der eerste Commissie van deze onze Maatschappij van Weldadigheid goedgunstiglijk aanvaard. Tevens zijn door de Commissie tot Adsessoren verkozen de Heeren J. Kinker, Professor te Luik, J. van den Bosch, Generaal Majoor, benevens tot Directeuren de Heeren P. van Hemert, oud Prof. wonende in den Haag, J.M. Schrant, Prof. te Gent, M. Kemper, Prof te Leiden, C. Nieuwenhuis, Med. Doct. te Amsterdam, J.C. Faber van Riemsdijk, Adv. in den Haag, Jac. G. van Nes, Lid der Staten Generaal, T. Sijpkens, Adv. te Groningen, P.J. Ameshoff, te Amsterdam, en J.F.H. van Hemert, Adv. te Amsterdam.

En hier mede bieden wij het geëerd Publiek het Reglement van deze onze Maatschappij van Weldadigheid aan. Men zal uit hetzelve, behalve den aard der werkzaamheden van de beide Commissien, de verpligting der deelgenoten verstaan, om naar vermogen aan de verbetering van het lot der armen te arbeiden, en daar toe eene jaarlijksche zeer geringe bijdrage van niet meer dan twee-en-vijftig stuivers te betalen. Indien er in het vervolg, ter verwezenlijking van verdere ontwerpen, meerdere gelden mogten noodig zijn, zal alsdan die bijdrage geheel afhangen van ieders bijzondere keuze, en het gevolg zijn der volkomene goedkeuring van eenig nuttig voorgeslagen plan.

Wij zouden aan de bekende welwillendheid onzer Landgenoten meenen te kort te doen, indien wij vele woorden wilden gebruiken, om hen tot deelneming aantesporen. Wien toch is onbekend, tot welke hoogte de nood der armen geklommen is? En wie weet niet, hoe ontoereikende de middelen blijken te wezen, welke men tot nog toe tegen den aanwas van den armoed heeft in het werk gesteld?Dat dan verstandige menschenliefde ons allen de hand doe leenen, om het geduchte kwaad, het welk voortgaande eindelijk op eene volkomene vernieling zoude moeten uitloopen, in den grond aantetasten, en de Maatschappij krachtiglijk te helpen verbeteren en veredelen.

Dat de welwillendheid van ‘s Konings jongsten Zoon, den bij de geheele Natie zoo zeer te regt beminden Prins FREDERIK, die aan het hoofd staat, velen onder onze Landgenoten opwekke, om mede deel te nemen aan eene verbroedering, welker doel zoo edel en pligtmatig is. Het is in deze hope, dat wij het ontworpen en goedgekeurd Reglement aan onze geëerde Landgenoten aanbieden.
Vanwege de provisionele Commissie van Weldadigheid,
JOHANNES VAN DEN BOSCH, President.
PAULUS VAN HEMERT, Secretaris.
In den Haag,
14 januarij 1818.

Hierna volgt het feitelijke reglement met 39 artikelen. Zie daarvoor elders.