geweze kolonist en mr smit van Frederik oord

Midden 1821 had Johanes van den Bosch maatregelen genomen om het drankgebruik onder kolonisten te beteugelen. Wie dronken betrapt werd, kreeg zijn geld voortaan uitbetaald in winkelkaartjes. Daarmee kon je alleen bij de koloniewinkel terecht en die verkocht natuurlijk geen drank. Het werkte goed. Behalve bij één kolonist.
Matthijs Muller is op de tweede dag van de kolonisatie gelijk met de onderofficieren uit Den Haag aangekomen. Het gezin komt terecht in hoeve nummer 3 op de eerste linie. Matthijs is sterk, zijn vrouw kan spinnen, met de gezinssamenstelling is niets mis en het gezin verdient goed. In de tweede maand van de kolonisatie al 33 gulden, in juli 1819 tien gulden per week, over 1820 tegen de 600 gulden en over 1821 nog meer. Dat laatste is al niet meer met landarbeid. Waar de andere kolonisten naast hun huis een moestuintje of een bloemenperkje hebben, staan er bij de Mullers gebouwen. Een noodstal en een smederij.
Het idee komt van Johannes van den Bosch. ‘Bij de verdere uitbreidingen der kolonien ondervinden wij dagelijks meer en meer de behoefte ener smederij. Het minste dat aan een stuk swaar gereedschap breekt moet het zelve uren ver te repareren gezonden worden.’ Er wordt besloten ‘den kolonist Muller in staat te stellen om het ambagt van smit uitteoefenen, en eenige daar toe benodigde voorschotten te doen’.
De uitvoering van dat besluit wordt ‘dan om deze, dan om een andere reden uitgesteld’ tot Johannes van den Bosch in juni 1821 voor 150 gulden het nodige gereedschap koopt en voor 250 gulden een noodstal laat bouwen waar de paarden beslagen kunnen worden. Muller betaalt huur voor die zaken en gaat aan de slag. Vakbekwaam vormt hij spaden en schoppen op zijn vuur, repareert ploegen en voorziet de koloniale paarden van nieuwe hoefijzers. Het gezin klimt op van de koperen medaille in 1820 naar de zilveren in 1821. Al doende geeft hij zijn kennis van het ambacht door aan zijn oudste zoon.
Iedereen is tevreden.
Het enige nadeel is dat Matthijs Muller ruim in zijn geld komt te zitten.
Begin november 1821 meldt de directie dat ‘de kolonist Mulder uit no.1 welke op den 24 aug. ll. met den zilveren medaille wierdt vereert, zich aan dronkenschap heeft schuldig gemaakt, ten gevolge daar van voor de Raad van Opzieners is gebragt en door de zelven geoordeelt te zijn onwaardig dit eerenteken te dragen; waarna aan hem Mulder het dragen der medaille is ontzegt tot dat dien aangaande door de Perm. Komm. zelve zal zijn beslist.’
De permanente commissie vraagt of Johannes van den Bosch vindt dat de medaille voorgoed van Muller afgenomen moet worden. Die aarzelt. Sterke drank vormt geen bedreiging meer voor de orde in de kolonie, maar toch. ‘De minste toegevendheid echter dreigt ons andermaal tot het oude gebrek te doen vervallen.’ Bovendien is er een verschil van mening tussen hem en de kolonist of laatstgenoemde een habituele drinker is of niet. ‘Ook is het niet de eerste wijs dat Mulder zich daar aan schuldig maakt, maar het is zeer moeijelijk om hem daar van te overtuigen. Hij heeft reeds meermalen in Steenwijk beschonken rondgelopen.’
Eenzelfde meningsverschil speelt rond de daaropvolgende gebeurtenissen op tweede kerstdag 1821. Als Muller er later als ‘suppliant’, schrijver van een verzoekschrift, op terugkijkt, is er volgens hem niet zo veel aan de hand. ‘Op de terug reis van Steenwijk, zoo komt suppliant voorbij de verbodene herberg kort bij de kolonie.’ Daar ziet hij de Groningse kolonist Bernardus Harmeling met een familielid, ‘schuilende aldaar wegens de sterke regen’. Die twee ‘lieten niet na met roepen tot suppliant beweegt wierd ook in te keren om te schuilen’. Muller denkt dat het geen kwaad kan omdat Harmeling goed bekend staat bij de directie. En het is niet omdat hij dorst heeft. ‘Om dat het zoo sterk regende dat men uit nood eene deugd maken moet.’
‘Na ophouden des regens zoo gaan zij hun reis naar huis voortzetten.’ Muller geeft wel toe dat zij ‘luide’ naar buiten kwamen. Daar staan twee boeren uit de omgeving ‘die ons de namen afvroegen’. Die boeren moeten de koloniedirectie ingelicht hebben, want ‘pas was suppliant thuis en had gegeten of den Onder Directeur kwam, en eischte hem zijn metaille af’. Muller vraagt naar het waarom en krijgt tot antwoord dat het is omdat hij in een verboden herberg geweest is. Zonder veel gedoe doet Muller afstand van zijn medaille. Volgens hem kan de onderdirecteur ‘getuigen dat suppliant niet beschonken was’. Die getuigenis geeft de onderdirecteur echter niet.
‘Eenige dagen daarna wierd aan hem de kaartjes of zoogenaamde papiere geld gepresenteerd.’ Maar bij de smid werkt die sanctie niet. Voor zijn werk moet hij steenkolen kopen die ‘in comptanten moetende betalen, men verpligt was daarvoor geld af te geven’. Bovendien werkt Muller ook voor derden. En als hij voor een boer uit de omgeving een paard heeft beslagen, betaalt die boer natuurlijk niet met winkelkaartjes.
‘Nu nog voortgaande met drinken,’ schrijft directeur Wouter Visser, ‘schoot niets anders over dan hem het smeden te verbieden.’ De gereedschappen worden Muller afgenomen. Volgens hemzelf heeft hij dat geaccepteerd ‘zonder een onvertogen woord te wisselen’. Hij komt de spullen daarna wel terugvragen om er ‘14 dage nog mede te werken’ en het nog liggende werk af te maken. Dat wordt geweigerd. Dan maar zonder. ‘Toen is hij heen gegaan en heeft nog 25 schoppe zonder smits gereedschap in orde gemaakt en afgelevert.’
Hem wordt aangeboden ‘alleen met schop veldarbeit te doen’. Maar ‘dit konde hij niet wel aannemen voor zijne geheele huishouding de kost daarmede te kunnen winnen’. Zijn zoon heeft zich inmiddels verhuurd aan een smid in de omgeving, Matthijs Muller houdt de eer aan zichzelf. ‘Zoo was hij genoodzaakt zijnen eerlijken pas te verzoeken.’
En ook hij mag zomaar weg.
Het gezin keert terug naar Den Haag, maar Matthijs Muller krijgt spijt. Het leven op de kolonie was toch zo slecht nog niet. Hij woont dan op ‘het kikerstraatje no.339 te ‘s Gravenhage’, het is tien maanden later, de winter komt er weer aan en er is in Den Haag geen werk te krijgen. Als ‘geweze kolonist en mr smit van Frederiks oord’ neemt hij ‘de ootmoedige vrijheid zich hiermede te keren tot UW Permanente Kommissie’. Hij is dan bereid toe te geven dat hij fout zat. ‘Doch deze misstap van suppliant is hem zeer leed. Hij berouwd dezelve en wenscht wel dat zulk nooit geschied was.’
Hij wil graag terug. ‘Daarmede hij met zijne familie nog eens gered woorde.’
Maar zijn hoeve, smederij en functies als kolonist en meerstersmid zijn dan al lang in andere handen, de Maatschappij wil Matthijs Muller niet meer.

Wil Schackmann