Jammerlijk zien wij ons van achteren bedrogen

De subcommissie van weldadigheid Steenwijk omvat vijf dorpscommissies en telt het eerste jaar 158 contribuanten. Het bestuur wordt gevormd door mensen die in het boek ook op andere manieren als bondgenoten van de Maatschappij bekend zijn. Zoals burgemeester Tuttel, die veel zaken rond transport naar de proefkolonie regelt, dokter Schuurman die de medische zorg voor de kolonisten heeft en aannemer Oosterloo die de meeste koloniale huisjes heeft gebouwd.

Mooi is dat nagenoeg het hele archief van de subcommissie bewaard is gebleven, Drents Archief, toegang 0186, invnr 3450. Daaruit blijkt dat ze grote moeite hebben gehad een gezin voor de proefkolonie te vinden (De proefkolonie blz. 67-69) en laat het nu juist dát gezin zijn dat als allereerste, en binnen twee maanden na aankomst, van de kolonie zal worden weggestuurd.  De subcommissie ervaart dat als uitermate pijnlijk.
Vlak voor de familie Dikkeboom in Steenwijk terug keert, wendt de subcommissie zich tot de permanente commissie. Enkele citaten uit een ‘kopij eener missive aan de Perm. Kommissie’ dd 19 januari 1819.
‘UwEds. missive van 14 jan. ll. heeft bij ons meer dan eene onaangename gewaarwording verwekt. Een smartelijke teleurstelling is ook voor ons de terugkomst van het gezin van Dikkeboom uit de kolonie; smartelijkst omdat wij onze goede bedoeling, tot geluksbevordering eener verarmde en gebreklijdende famillie, zoo jammerlijk zien mislukken; en dubbel grievend door de schandelijke oorzaak, die hare welverdiende beroving van de voorregten der kolonie bewerkt en ons onder een vermoeden gebracht heeft, welk niet kon nalaten ons gevoelig te treffen, zoodra wij hetzelve uit UwEds. laatste missive ontwaarden.

Ook ons heeft vrouw Dikkeboom, tegen onze verwachting, gedurende haar verblijf te Frederiksoord meermale verdrietelijkheden veroorzaakt door hare onzedelijke klagten, welke ons dan ook reeds op den 18 dec. des vorigen jaars deden besluiten: haar met gestrengen ernst tot hare pligt te vermanen, met bijgevoegde bedreiging om, bij terugkering van dergelijke klagten hare uitzetting uit de kolonie te zullen bewerken, waarop van onze kant op den 29 dec. ll. een schriftelijk verzoek is gevolgd aan de Direkteur om bijzonder regard te willen slaan op gemelde kolonisten en haar gedrag rigoureuslijk te willen behandelen.

Wij achten derhalve hare uitzetting uit de kolonie dubbel verdiend; maar nemen tevens de vrijheid UwEds te observeren, dat het onbillijk zoude zijn, het onaangename hierdoor aan de Perm. Kommissie den Direkteur der kolonie veroorzaakt, ook slechts eenigzins op onze rekening te willen stellen. Hoezeer wij toch gaarne toestemmen dat de mogelijkheid om iemands karakter te kennen in kleinere plaatsen grooter zij dan op andere is het toch zeker dat het dikwerf alleen van zekere omstandigheden afhangt om een karakter te doen uitkomen. Wij althans verzekeren de Perm. Kommissie het karakter van gemelde vrouw niet van zulk eene zijde gekend te hebben. Veeleer hadden wij om den stand waarin zij eerder in de maatschappij leefde van deze famielie gunstige gevoelens dan bij wegens anderen die zich aan ons voordeden, durven koesteren.

Jammerlijk zien wij ons van achteren bedrogen en wij hebben nu gegronde vreze dat het van kwaad tot erger lopen en wij spoedig deze famillie die thans op de weldadigheid harer stadgenoten zeker weinig rekenen kan, tot den bedelstaf zullen zien gebracht. Zij hebben dit hun lot verdiend en gaarne zouden wij zien dat zij, ook ten afschrikwekkend voorbeeld weldra hunne verblijfplaats vormden in het bedelaarsgesticht te Hoorn.
Wij hebben besloten hiertoe eene poging te doen en zullen ons te dien einde aan Z.E. den Gouverneur dezer Provincie wenden.’

De subcommissie krijgt haar zin, de kwestie wordt haar niet nagedragen. Ze mag meteen een ander gezin plaatsen, dat van Sietsen of Sissen of Sytze Jans.

Daarna maakt Steenwijk ruim gebruik van de mogelijkheden andere gezinnen op de kolonie te plaatsen.

De ‘Armmeesteren der Gereformeerde Gemeente te Steenwijk’ sluiten december 1819 een contract voor de eeuwigdurende vestiging van zes armenkinderen en twee behoeftige gezinnen. Daarop komt ondermeer het gezin van Janes Geerts de Vries, dat na een paar jaar wordt bevorderd tot hoevenaar bij Veenhuizen, maar na drie jaar wordt teruggeplaatst in de gewone kolonie en dan al snel het koloniale systeem verlaat.
Plus het gezin van Arend Oijens Kleinman, dat wel op de kolonie blijft. Zoon Roelof Kleinman volgt hem op als kolonist.
De door Steenwijk meegezonden huisverzorger Jan Ragius neemt een van de ingedeelden die de familie Dikkeboom qua voeding zo schromelijk had verwaarloosd (boek blz 103-104), Klaasje Winters, in huis

Diezelfde maand, dus december 1819, had de subcommissie al een bijzonder contract – dan van alle andere contracten afwijkt – gesloten voor de plaatsing van één persoon, te weten de ongeveer 22-jarige Jacob de Vos, die tot zijn dood in 1830 op de kolonie blijft.

En tenslotte, in mei 1820, sluit de subcommissie een contract voor de plaatsing van één gezin, bestaande uit negen personen. Vrijwel alle Steenwijkenaren komen in eerste instantie terecht in Wilhelminaoord.