O genoote dit alle menschen!

Amersfoort behoort tot de eerste 25 steden die reageren op het verzoek een subcommissie op te richten (zie de brief met dat verzoek elders op de site). Op 22 juli 1818 kwam bij de pc bericht binnen dat de subcommissie van weldadigheid Amersfoort haar werkzaamheden was begonnen.
Maar de opzending november 1818 van proefkolonist Hendrik Metz werd een falikante mislukking. Daarop zocht en vond Amersfoort een veel meegaander type. In De proefkolonie blz 207 wordt geciteerd uit een dankbare brief van die opvolger. Hier het hele epistel (Drents Archief, toegang 0186, invnr 53), plus namen en data en (iets) meer over de subcommissie Amersfoort.

De Maatschappij kan niet om de subcommissie Amersfoort heen. Zij beheert een ‘arrondissement’ met maar liefst 27 dorps-commissies. Die leveren niet zoveel contribuanten, maar de stad wel en in het eerste boekjaar, dat loopt tot 1 april 1819, haalt het arrondissement Amersfoort bij 318 burgers de wekelijkse stuiver op. Na het debacle met Metz nodigt de pc de subcommissie dan ook uit ‘een ander, meer geschikt huisgezin’ naar de proefkolonie te sturen, al wil ze wel dat die keus ‘met de noodige behoedzaamheid’ gemaakt gaat worden.

Amersfoort accepteert de onderhuidse kritiek op haar vorige kandidaat en gaat juni 1819 op zoek. Dat blijkt een stuk makkelijker te gaan dan het vorige jaar. Toen was er sprake van ‘de vrijwillig zich aanbiedende personen, wier getal zeer gering is’. Nu komen ze al binnen enkele dagen op de proppen met Hendrik Hopman.

Hij is geboren 1782 (kolonie-administratie) of 1778 (overlijdensakte), getrouwd met een Wilhelmina wier achternaam het vaakst als Sluijmer voorkomt, en vader van vijf kinderen die in leeftijd variëren van 16 jaar tot 10 maanden. Op 20 juni 1819 komen ze aan in Frederiksoord en nemen ze hoeve nr. 7, langs de Vledderweg die tegenwoordig Majoor van Swietenlaan heet, over van de in Amersfoort teuggekeerde familie Metz.
En de kolonie-directie vindt het wéér niks. Een
‘zeer onoppassend gezin’, dat blijkens de staten minder verdient dan ze aan voedsel en verstrekkingen krijgt.

onderlinge liefde en eendragt

Maar vlijt is niet het enige dat op de kolonie telt. Gedweeheid, je bewust zijn van je (lagere) stand en daarmee ook het tonen van dankbaarheid voor de kans die de weldoeners je bieden, is minstens zo belangrijk. En daar weet Hendrik Hopman weg mee. Hij zit er nog geen drie maanden als hij een brief schrijft aan de subcommissie van weldadigheid Amersfoort. De brief is gedateerd 11 september 1819 en blijkt niet eens zijn eerste poging:
‘Reeds is het vier weken geleden dat ik een brief aan u verzonden heb, en te vergeefs heb daar op antwoord verwagt; tot dat het mij eijndelijk blijks, dat mijn eerste niet teregt is gekomen; ik had dezelve ook niet per post aan u verzonden. Door dat mij de gelegenheijd aan bood deze met een voerman meede te geven, die, zoo hij zeij van hier na Amersfoort vertrok. Dog nu blijkt mij uijt uwe missive, dat u nog geen berigt van mij hebt ontvangen.’

Dat moet recht gezet. Maar als ik zeg dat hij meteen in de pen klimt, is dat niet helemaal juist. Hij heeft daar hulp bij nodig.
‘Zoo zal ik dan nu ook geen oogenblik wagten om aan u te melden, hoe het mij te Frederiksoord gaat en bevalt en om u te schrijven kan ik hier toe een vriend en medeburger gereed te vinden. Dit is geen kunst, daar hier de onderlinge liefde en eendragt zeer algemeen is en dus elk vind ik daar toe na zijne vermogen gereed.’

Het wil niet zeggen dat de ‘medeburger’ goed werk geleverd heeft. De brief is zeer flodderig geschreven, met veel doorhalingen en verbeteringen. Ten behoeve van de leesbaarheid zijn er in de brief die de pc bereikt ook verbeteringen aangebracht in een ander, keurig handschrift, vermoedelijk van een lid van de Amersfoortse subcommissie. Maar terug naar Hendrik Hopman en zijn opinie over zijn nieuwe situatie.
‘Het bevalt mij dan te Frederiksoord uijtmuntend goed.
Wij leven God zij dan gezond en tevreden en genieten ons daagelijks brood. Dog in de beginne heb ik daar voor een gulden of agt schulden moeten maaken. Dog nu ben ik in staat om met demijne voor mij en de mijne het brood teverdienen, het zal u ook niet verwonderen, als ik beken dat het plaggesteken als ander werk dat hier verrigt word mij eerst een weijnige vreemd voor kwam.’

Blijkbaar had Hopman geen landbouwervaring. Dat is ook niet verplicht, al geeft de Maatschappij er wel de voorkeur aan. Ook lijkt Hendrik Hopman te beseffen dat zijn arbeidsprestaties te wensen overlaten:
‘Dog van mij en ook van niemand word meer geeijst als hij in maatigheijd kan verrigten.’

onze aanstaande broeders

Met die ‘maatigheid’ zal de kolonie-directie volledig instemmen. Met diezelfde directie heeft Hendrik trouwens nog overlegd over zijn brief:
‘Voorts verbeterd onze omstandigheijd van tijd tot tijd. Ider en ook ik eet daagelijks aardappelen uijt onze tuijnen, ook bij deeze ontruijming heb ik ook voor drie daagen een koe gekregen. Reeds heb ik de haver van mijn land in de schuur, en ik heb espres onze directeur gevraagd wat ik aan u wilde schrijven. Hoe het met die haver was, of ik die als mijne mogt rekenen, waar op hij antwoord van volkomen, en dat ik er na wel gevallen kom mee handelen, en ook aan hem zelve kon verkoopen, tegen marktprijs.’

Behalve met de haver gaat het met de andere landbouwprodukten ook goed en Hendrik beschrijft zijn verdiensten:
‘Buijten deeze oogst heb ik ook nog een half morgen aardappels, waar van ik hoop meer te oogsten als ik voor een jaar behoef.  Turf voor de aanstaande winter heb ik reeds gestooken, en zoo maakt dit een en ander mij onbevreesd voor de naderende winter.
Voorts werk ik vier daagen per week in dagloon voor de maatschappij en twee daagen op mijn eijgen land, waar voor ik natuurlijk geen loon ontfang, dog mijn zoon werkt zes daagen in de week voor de maatschappij en ontfangt daar voor zes stuijvers per dag.’

Hendrik en zijn mede-kolonisten in de proefkolonie worden ingeschakeld om de uitbreiding met Frederiksoord-2 voor te bereiden (‘Elke voorgaande kolonie voor eene volgende doen arbeiden’, blz 151), Hendrik spreeekt roerend over die toekomstige kolonisten als ‘onze aanstaande broeders’.
‘Daagelijks gaan wij met gelijke man na de nieuwe colonie arebeijden, en bereijden daar land voor onze nakomelingen. Mij en veele met mij komt de grond daar goed voor. Dezelve zal met minder moeite vrugtebaarder temaaken zijn, als die wij bewoonen. Schoon onze buijten verwagting, voor dit jaar al veele schoone vrugten oplevert. Meer dan ons gezigt kan bereijken, ligt er nu alreeds land, voor onze aanstaande broeders gereed. Het huijze boewen gaat met drift voort en dezelve worden zeer goed en geschikt gebouwd, zelfs met de schuuren er voorts agter.’

hier kan elk wat verdienen

En dan wordt het tijd om er, in schone bewoordingen, een eind aan te breien:
‘Nu WelEdelWaarde Heer ik leef met een woord zeer tevreeden, en wie hier niet tevreden leeft vergeet gewis geheel zijn staat die hij verlaaten heeft en wie hier niet kan bestaan, zal ook in geene stand kunnen bestaan. Want hier kan elk wat verdienen, vrouw, man, kinderen, en zoo woord het met melkander een groot dagloon, en dan daar bij nog gevoegd vrij brand, aardappels, wooning, kleeding, dekking, melk, ja teveel haast om tenoemen.
O genoote dit alle menschen!
Voor zeker, er was geen armoede; ja voor alles wordt hier gezorgd, voor oud en jong, en wat wij zelve soms zouden vergeten, vergeet onze waarde Heer direkteur voor niemand onzer.’

En hij besluit met:
‘Nu, mijn Heer! ik eijndig, en groet UwelEdW. van harten en noem mij UWEW Dienaar
Hendrik Hopman
colonist’

Mochten er hierna nog twijfels zijn over de dankbaarheid en tevredenheid van de nieuwe kolonist, dan worden die uit de weg geruimd door een notitie in de kantlijn van de brief in hetzelfde keurige handschrift dat ook enkele verbeteringen had aangebracht.
‘N.B. ooggetuigen hebben den colonist gesproken & deze tevredenheid uit zijn mond gehoord.’

Amersfoort ziet kans om met deze brief haar blazoen op te poetsen. Ze zal laten zien dat er ook betrouwbaar volk door haar geleverd kan worden en op haar aandrang worden Hendrik Hopmans uitingen van dankbaarheid in de publiciteit gebracht.De stad heeft er weer zin in, de subcommissie sluit een contract om een extra gezin te plaatsen en de ‘Regenten van het Weeshuys te Amersfoort’ sluiten een contract waardoor er ‘voor altoos’ drie hoeves zijn voor zes Amersfoortse weesskinderen en twee behoeftige gezinnen.