werkliederen voor kolonisten

Bron archief van de Maatschappij van Weldadigheid bij het Drents Archief, toegang 0186, invnr 49.
NB: de hier genoemde melodiën op de wijs waarvan de liederen gezongen zouden moeten worden, zeggen mij niks.
NB2: Het is ook onbekend of de kolonisten zulke liederen ooit daadwerkelijk gezongen hebben.

‘k wil werken, – werken, wel te moe
 

De ondergeteekende stelt de twee inliggende, door hem vervaardigde, liedjes ter be schikking der Permanente Commissie van Weldadigheid, ten einde, des goedvindende, daarvan gebruik te maken op zoodanige wijze, als zij best zal oordelen.

P.R. Feith
lid van de subcommissie te Almelo

 

MORGENLIED VOOR KOLONISTEN

Wijze: zoo gij met schulden zijt bezwaard, &z

De morgen daagt met majesteit,
gelijk een bruid ten feest geleid,
Aan ‘s Hemels schoone transen; bis
Jaagt de opgepakte nevelen voort,
en ‘t vroeg ontwakend Frederiks-oord
Verheugd zich in zijn glansen; bis

Al schraagt en sterkt de stille nacht
het matte lijf met nieuwe kracht;
Al speent zij ‘t hart van zorgen; bis
Al stort zij ‘t slaaprig huisgezin
Verhoogden lust des levens in;
Nog milder is de morgen. bis

Hij draagt de sleutels van ‘t heelal,
Sluit bosch, en meer, en berg, en dal
Voor nijvre schepsels open, bis
Gordt arm en rijk met krachten aan,
en geeft hen elk een eigen baan,
Om daaglijks af te loopen. bis

En God, die eindloos wijs, en goed,
de dageraad verrijzen doet,
Betracht der menschen gangen, bis
En heeft een’ eerprijs, naamloos schoon,
hun nijverheid, en vlijt ten loon,
In ‘t verperk opgehangen. bis

Zoude ik dien prijs versmaden? Neen.
Dat doen de luiaards. Zij alleen
Waarderen tijd, noch krachten. bis
‘k Wil werken, – werken, wel te moe,
tot aan den laten avond toe,
En dan Gods zegen wachten. bis
 
 

DE VROLIJKE KOLONIST
wijze: Gij, die thans zijt met mij ter jagt, ha, ha!

Verheugd van zin, juicht Frederiksoord: hoezee!
Wat brengt de grond al schatten voort, hoezee!
Gezegend hij, die’t veld behoort!
‘t Vergoedt den arbeid duizendvoud.
Hoezee, hoezee, hoezee!

Haar nijvre handen eischt de grond, ja, ja!
Het brood schiet uit bewerkte klont, ja, ja!
Alleen wie nuttig dagwerk doet
Wordt wel gekleed, en ruim gevoed.
Ja, ja, ja, ja, ja, ja!

Dat is niet vreemd, noch hard op aard, o neen!
Want luiaards zijn geen winsten waard, o neen!
Een traag en vadzig huisgezin
Oogst nimmer zware garven in.
Neen, neen, neen, neen, neen, neen!

Wie lediggang voordeelig acht, o wee!
Van bedelbrokken heil verwagt, o wee!
Delft zich een afgrond, diep en breed,
Van vuige schande en grievend leed.
o wee, o wee, o wee!

De bete broods, met zweet besproeid, smaakt goed!
‘t Bebouwde veld, dat welig bloeit, voldoet!
De slaap, die zachtkens ‘t oog beschiet,
En matte leden ruste biedt,
Is zoet, is zoet, is zoet!

Behoeven wij op aarde meer? Wel neen!
Zien we op ons kroost bekommerd neer? Wel neen!
Heeft Nederlands weldadigheid
Ooit armen beter staat bereid?
Wel neen, wel neen, wel neen!

Haar roemt en dankt ons vrolijk lied, hoezee!
Dat nedrig offer, wraakt zij niet, hoezee!
Geen eerkroon, die haar meer bekoort,
Dan ‘t waar geluk van Frederiksoord.
Hoezee, hoezee, hoezee!