verantwoording

Ik heb geprobeerd de verantwoording van bronnen en citaten zo bruikbaar mogelijk te maken voor mensen die verder onderzoek willen doen naar de Maatschappij van Weldadigheid, naar een facet ervan of naar een bepaalde kolonist. Daarom is het soms wat erg gedetailleerd. Als er iets mist, of iets fout in staat, dan ontvang ik graag een mailtje.

De inleiding op de verantwoording en de verantwoordingen per paragraaf zijn hieronder online in te kijken, maar ze zijn er ook in de vorm van pdf’s per hoofdstuk, die mensen desgewenst naar hun eigen computer kunnen overbrengen. Kijk daarvoor op deze pagina.

Bekijk vóór je aan de verantwoording per paragraaf/hoofdstuk begint in ieder geval eerst de inleiding op de verantwoording, want daarin staat naar welke toegang in het Drents Archief ik met inventarisnummers verwijs. Verder:


Hoofdstuk een: Het algemeen erkend weldadig karakter onzer natie

    tót november 1818

Ontzenuwde natuurgenoten p 13
Tot in de nageslachten dankbaar herinneren p 15
Verlangende uit het niet tot iet te geraken p 17
Een betamelijk, zelfs behagelijk voorkomen p 19
Ten gevalle zijnes broeders p 21
Drenthenaren zijn groote uithoorders p 24
De schoonste dag van mijn leven p 26
Het ingedeelde weesmeisje Geeske Durks Gadsonides p 28
Wie bleef zonder aandoening? p 31
Waschtobbe, zeepbak, handdoeken p 34
Schurk, farezewer p 35
Het memorieboekje p 40


Hoofdstuk twee: Alleen in vergelding tot arbeid

    november 1818

Een oordeelkundige bestudering der daartoe vereischte ligchaams-oefening p 45
Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap p 47
Een najaarsziekte p 50
De spinnerij p 51
Teneinde hen in goede omstandigheden te plaatsen p 53
Dat nog in verscheidene eeuwen dit hulpmiddel niet kan worden uitgeput p 55
Kasteelen in de lucht p 59
Scheepjes met mest p 62
Een deficit op de voeding p 64
Daar leyt het begraven bij de groote kerk p 66
Op voorwaarde van proefneming p 67
Reeds eenen noodpenning hebben opgelegd p 70
Behoeftigen van de beste soort p 72


Hoofdstuk drie: De vergenoegdheid is op aller gelaat geschilderd

    december 1818

Het uitzigt van dit alles door werken te verdienen p 79
Een menigte van ooggetuigen p 82
Zijne vrouw houd veel van een glaasje Schiedammer p 83
Het stuk van den Godsdienst p 86
Zelfs de Israëlieten werken op het land p 89
Ongelooflijke kwantiteit eten p 91
Koepokken p 92
De glazen van een inwoonder van Vledder ingeslagen p 95
Rondlopen om het Tholer papier te plaatsen p 99
Angstig ging ik savonds te vooren te bed p 101
Dat alle deugniets zijn p 103
Niet zeer gaarne ter school p 105
Nauwelijks vermoeden men steeds dezelfde groenten eet p 106
Was wij daar niet, wij kwamen daar niet p 108
Al zingende het Wilhelmus van Nassouwen p 110


Hoofdstuk vier: Dit voorbeeld zal zeer veel goeds uitwerken

    januari 1819

Bedriegerijen van subkommissies p 115
Met ondankbaarheid beloond p 117
Met dat gevolg dat de vrouw als een blad beefde p 118
Welzeker jongen, ook de melk erbij p 120
Het zal minder aan het oog voldoen p 122
Weender zal spoedig de grote reis aannemen p 123
Zij hebben dit hun lot verdiend p 125
Het achtkantig huisje p 126
Een vent met een jas aan p 128
Geen dispositie voor de veldarbeid p 130
Ten einde niet beschimmeld aantekomen p 132
Menigvuldige bezigheden p 133
De proefondervindelijk bewezene uitvoerbaarheid p 136


Hoofdstuk vijf: De armoede van jaar tot jaar aanmerkelijk verminderen

    half februari tot half augustus 1819

Eene snelle en aanzienlijke uitbreiding p 143
Nederlanders zijn soms een beetje dom p 145
Kleine en wezentlijk zeer toepaslijke versjes p 148
Molenaar heeft het meest van zijn gronden getrokken p 149
Elke voorgaande kolonie voor eene volgende doen arbeiden p 151
Nachtbidders p 153
Eene aangename lustwarande p 154
Onwaardig, ongeschikt p 156
Ik stel mij bloot aan belangrijke verliezen p 158
In het bureau van een der kommiezen te muffen p 161
Het oog van Europa p 162
Eene vereeniging die als het ware nationaal behoort te worden p 164
De aanhoudende droogte p 165
Blijde tijding p 167
Het caracter onzer behoeftigen p 168
Uit hunne tuinen de noodige groenten en aardappelen erlangen p 170
Z. M. heeft Hoogstdeszelfs gunstbewijzen vermeerderd p 174


Hoofdstuk zes: Slegts de keuze om den belhamel voor de kop te schieten

    half augustus 1819 tot half maart 1820

Tegenstrevers p 181
Vrijmetselarij p 183
Ook was dezen dag dubbeld belangrijk p 185
In stilte het onderzoek doen voortzetten p 186
Negociaties p 188
Consenteert de jonggehuweden in huis te nemen p 190
Den kost gezien en geproefd p 192
Dedomagement p 195
Menigvuldige en slegt gemaakte knopen p 197
De puistige p 198
Het complot p 201
Het zuur verdiende geld in snuisterijen verteren p 202
Hetgeen zij noemen gezwierd p 204
Onder betaling van schuld toegestaan p 206
Liever te willen sterven als werken p 210
Alleen Westerveld heeft in aardappels zijne huur afbetaald p 211
Aller deerlijkst gebrand p 214
Het deelnemend gevoel onzer brave kolonisten p 217
Koppejan logeert bij de onderofficier p 219
Een opgewonden hoop van zulke klanten p 220
Het doel dezer knapen p 223


Hoofdstuk zeven: Alleen door gestrengheid schijnen te kunnen worden geregeerd

    half maart tot eind december 1820

Conniventie p 227
Volhoofdig en volhandig p 228
Bloedzuiger! p 230
Het bestaan van de Maatschappij p 233
Wat denkt Gij van Rausch? p 235
Den geheelen raad grovelijk beleedigd p 237
Het is goed dat deze spitsboef weg is p 240
Geschikte voorwerpen voor de uitvoering ontbreken p 241
Gij mijn vrienden hebt mij altijd goed behandeld p 243
Het zwartste schildering van de behandeling der menschen aldaar p 244
Dikke benen p 246
De hoofdigheid van een Switzer p 248
Wij rekenden ons zeer gelukkig p 251
Dat subkommissien niet de moeite nemen van te denken bij het geen zij doen p 253
Kolonistenklasse en gezinsklasse p 255
Om vreemdelingen te vervangen p 257
Bij uitstek minzaam p 259
Dat hij deszelfs ware naam niet kan opgeven p 260
Omringd door beweldadigden p 262
Voor het gebruik bij koffij en thee slechts even genoeg p 263
Zoo iets imponeert p 265


Hoofdstuk acht: Alles is nu volgens de reglementen ingericht

    januari tot december 1821

Raad van policie p 269
Geneverschulden p 270
Curatele p 272
Ellendige beesten p 274
Debougingen p 276
Dit waar mijn ongeluk p 278
Zeggende dat ik gedrost waar p 280
Mijne krachten te boven gaan p 282
Wouter Visser p 283
Verkleefd aan den sterke drank p 285
Een der grootste en ongevoeligste luijaards p 287
Zedelooze dierlijkheid p 289
Vetmesten p 291
Reinheid en betamelijkheid p 293
Wat bitters onder de suiker p 295
Roomse machinaties p 298
Laten zich bedienen door de kinderen als prinsessen p 300
Armoede veroorzaakt door overbevolking p 302
Zachte tranen p 305
Instituut van landbouwkundige opvoeding p 307
En geeft hem zijn arbeidsloon niet p 309
Die het op de gewone verstrekking geheel laten aankomen p 311


Hoofdstuk negen: Zullende dus in het vervolg het eigenlijke Frederiksoord uitmaken

    januari 1822 tot april 1823

Gepaste en ordelijke vrolijk­heid p 315
Geen blixem op mij te zeggen p 317
Sla ik tusschen hals en nek p 320
Gevolgen van thans genotene welvaart p 322
Het weinigtje geld p 324
Contagieus p 325
Warm om het hart p 327
Slaven p 330
Verzeilt stellig het schip op de klippen van hoogmoed p 332
Met onze lieve kleinen verbrijzeld te worden p 334
Alle kolonisten op van Puffelen na p 336
Uit de wind zijlen moest gaan p 339
Wij moeten geene kinderen in massa overnemen p 341
Zoo min mogelijk ongelukkig behoren te gevoelen p 342


Hoofdstuk tien: Het bevalt ons hier verwonderlijk goed

    vanaf april 1823

Dat is toch aardig, mijn Heer! p 349
Dat perst mijn tranen af p 351
Landgenoten die mij dikwerf haten p 354
Hij verdient, dat men hem den kop voor de voeten legt p 355
Zonder de minste opschudding of zamenscholing p 358
Doldersumsche veld p 359
Eene weduwe met ééne dochter slegts p 361
Johannes Bosch p 364
Confidentieel rapport p 366
Het paupertijdperk p 368
Luchtkasteel p 370