Consenteert de jonggehuweden in huis te nemen, p 190

Van het omvangrijke gezin in Boornbergum wordt melding gemaakt in de Leeuwarder Courant van 21 februari 1819, overgenomen in de Staatscourant van 2 maart. De Star maakt steeds melding van geboortes in de kolonie, bijvoorbeeld Hoofien en De Haan in het mei-nummer, vaak wel slordig en met het vooropgezette doel de gezondheid van het koloniale leven aan te tonen. Behalve bij genoemden komen er kinderen bij Jansz (= het Steenwijkse gezin dat de Dikkebooms is opgevolgd), brief Benjamin 17 juli en Star juli, en Berends uit Assen, brief Benjamin 12 september.
Over eerst geboorte en daarna dood bij de Van der Heijdes bericht Benjamin op 11 november, maar dan denkt hij nog – en zo komt het ook in de Star – dat de nieuwgeborene overleden is en pas op 15 januari 1820 corrigeert hij dat het om een 3-jarig zoontje gaat. Dat die Jan heette staat in de voordrachtsbrief van de subcommissie Leiden van 24 september 1818.

Onder de zonen die zich melden hoort ook een zoon van Vos, maar daar voelt de directie weinig voor omdat ze het niet in de familie Vos ziet zitten. Benjamin vraagt op 15 december en 25 december wat hij er mee aan moet, op 30 december besluit de pc dat die gedurende de winter kan blijven en dat voor hem en de zoon van Baade geldt ‘dat de voortduring dier inwoning zal afhangen van hun ieder goed gedrag’. Blijkbaar lukt dat niet, want tijdens de tuchtzitting in april 1820, archief 1613, beklaagt Hendrik Vos zich dat de directeur ‘zijn zoons uit de Kolonie had doen gaan’.

De zoon van Baade die wel mag blijven heet Christiaan, geboren 4-2-1794. De ingedeelde in dat huishouden is Dirk of Derk Wiemes, geboren 30-06-1795. Over zijn voorgenomen huwelijk gaan de notulen van de pc dd 28 augustus 1819. Zijn huwelijkspartner is Elisabeth Smies, geboren 13-9-1799, dochter van Levina Lameijze, geboren 8-8-1774, gestorven 30-4-1851, weduwe van ene Smies, daarna hertrouwd met Hubrecht de Ruiter, de kolonist uit Axel.

Tot de meisjes die elders een dienstje aanvaarden, behoort ook de dochter van Koppejan. Ouders moeten er dan maar het beste van hopen, maar maken zich natuurlijk ook wel zorgen. Koppejan schrijft 26 februari 1820 aan zijn subcommissie: ’Ik vind mij genoodzaakt om aan mijne familie te schrijven, waarin ik den toestand van mijn dogter vernemen zal, en of zij haar dienst bij mij Heer Pous aangenomen heeft, dan of zij haar heeft laten misleijen.’
Het vertrek van de zoon van de Zwolse kolonist (de weduwnaar Van Ommen) wordt beschreven in een brief van Benjamin op 17 juli, zie persoonsfile.van Ommen.