Scheepjes met mest, p 62

Er wordt wel meer gediscussieerd over de (on)mogelijkheid om woeste gronden te exploiteren en of die exploitatie toekomstwaarde heeft. Ook Gijsbrecht Karel van Hogendorp, enthousiast aanhanger van de Maatschappij, mengt zich erin. In zijn Bijdragen tot de huishouding van staat in het Koninkrijk der Nederlanden, vijfde deel, pagina 103, noemt hij ‘het land van Waas’ al voorbeeld van nuttige gemaakt heideland. En verderop in hetzelfde geschrift, op pagina 112, komt hij met een negen jaar geleden ontgonnen ‘veld tusschen Zuidveen en Steenwijk. Ik noem dit veld, omdat het negen jaren vruchtbaarheid telt, en dat het een antwoord schijnt toe te roepen aan degenen, die vragen of de gronden van Frederiksoord zullen vruchtbaar blijven.’

De opmerkingen van Ameshoff over de Amsterdamse mestmarkt komen uit zijn ‘Beoordelingen en bedenkingen op het ver­slag van 22 junij 1818′ dd 11 juli 1818, met name zijn opmerking bij bladzijde 46 en 48, en enkele brieven van hem uit die tijd, archief 48 en 49. Als Ameshoff schrijft: ‘Sekreetmest wordt weinig opgegaard, omdat de onvermogen­den dezelver liever in de grachten gooijen’, benoemt hij een probleem dat in Amsterdam algemeen erkend wordt (en geroken zal worden).
Zijn opmerking ‘dagelijks stuur ik scheepjes met mest’ is van 9 oktober 1818, dus dan is mestverscheping blijkbaar volop bezig. Op diezelfde dag doemt het probleem van het voedsel op. Ameshoff vermeldt, de volgende dag, ook de prijzen van de door hem aangekochte groente: ‘de uien 9 cent per stuk, de witte kolen 10 voor 50 cent, en de peen 25 cent de honderd’. Overigens zal later blijken, boek bladzijde 106, dat hij wel wat te veel, met name uien, heeft aangekocht.

Petrus Ameshoff had al op 4 september 1818 de mogelijkheid van bedrog door schippers vanwege het ‘1 a 1,5 voet moeten lig­ten’ bij de ondiepte van Muggenbeet voorzien en had in die tijd de pc toestemming gevraagd om speciale haken te laten maken, een voor hem en een voor burgemeester Tuttel van Steenwijk die de mest in ontvangst moest nemen. Later, op 2 februari 1819, constateert Benjamin dat dat niet afdoende is. Waarschijnlijk heeft hij erg waterige mest ontvangen. Over de mogelijkheid meststof van ‘kakkende’ soldaten te krijgen, schrijft Ameshoff op 6 oktober 1818.

Het gedicht van de landbouwdeskundige wordt geciteerd op pagina 33 van Faber, Dure tijden en hongersnoden in pre-industrieel Nederland, Am­sterdam 1976.