Warm om het hart, p 327

Die winkelier zonder weegschaal heet Koppe en hij wordt door Wouter Visser beschreven op 19 augustus en op 30 september 1821, in welke laatste brief: ‘hier bevond ik dat de rijst welk per pond betaald wordt, niet gewogen maar gemeten wierdt’. Diverse kolonisten, met name Kniessenberg, hadden al verdenkingen jegens de winkelier geuit.
Over de Leeuwardense kinderen schrijft Visser op 6 juni 1822. Ze komen dan onder de hoede van Johan Henrich Horst, geboren 16-10-1765 en Johanna Jacoba Smitsart, geboren 26-12-1767, dus allebei in de vijftig, bij wie in de rode boeken van Kloosterhuis over vele jaren een hele lange lijst met ingedeelden staat. Ze hebben ook eigen kinderen, een dochter trouwt met een zoon van proefkolonist Molewijk uit Arnhem en dat stel wordt ook kolonist.

Het jongetje Johannes Verwer, leeftijd onbekend, maakt aardigheden voor zijn pleegmoeder Poelstra, uit een brief van Wouter Visser dd 27 december 1822. Over de verleiding door Thérèse Olijve van de ingedeelde Arie Petter of Vetter schrijft Visser op 7 december met bijgevoegd een brief vol verontschuldigingen van de ‘verleidster’ en Johannes, die eigenlijk vooral medelijden heeft met de vrouw, op 15 december 1821. De huisverzorgster die het met een wijkmeester zou hebben aangelegd komt uit Kampen en weigert ook consequent om koloniale kleding te dragen. Op 26 april 1821 stuurt Visser een proces-verbaal van de raad van opzieners in Willemsoord waar wordt geconcludeerd dat zij de kolonie moet verlaten, wat kort daarop ook gebeurt.

Deserties staan in heel veel brieven van Wouter Visser aan de permanente commissie in het voorjaar van 1822. Op 24 maart 1822 schrijft hij over het gerucht en vult hij dat verder in: ‘dat zij daar veel geld ver­dienen met horologiënlo­pen enz.’ Op 7 april schrijft hij dat hij ‘de afgelopen week’ de jongens heeft meegenomen om toe te kijken bij het pak slaag.

Harderwijk meldt zich op 4 maart 1822 en wordt meteen de volgende dag door de pc afgepoeierd.

Over de verzending van de uitgeperste haring schrijft Petrus Ameshoff op 14 februari 1822. Op 10 maart 1822 schrijft directeur Wouter Visser: ‘Voorts heb ik het genoegen de Permanente Kommissie te informeren dat, de uitgeperste haring van Monnikendam (…) hier is aangeko­men, zullende daar van een doelmatig ge­bruik worden gemaakt.’ Wat dat doelmatige gebruik is (consumptie?? bemesting??) omschrijft hij helaas niet, waardoor onbekend blijft wat met uitgeperste haring bedoeld wordt. Het Visserijmuseum Vlaardingen is voor ons op zoek geweest naar de betekenis van de term, maar uiteindelijk bleek de uitdrukking ‘uitgeperste haring’ nooit eerder of elders gebruikt te zijn!
Monnikendam doet verslag van haar bezoek aan de kolonie op 25 juni 1822. In volgende brieven blijft de subcommissie op hereniging aandringen (bijvoorbeeld 23 juli 1822) en dat gebeurt dan ook, maar zelf blijft de stad in gebreke doordat zij geen huisverzorgers kan leveren (6 september 1822).

De subcommissie Stavoren bericht op 12 april 1822 over haar opheffing, over stagnerende contributie-inning in Heerenveen schrijft Van Royen op 16 april 1822 en Johannes klaagt over Almelo op 17 september 1822. Om meer activiteit daar te krijgen, benadert hij de Almelo’er Ainsworth.
De pijnlijke ervaringen in Amsterdam worden door de subcommissie beschreven op 27 juli 1822 (‘onaangename en smadelijke bejegeningen’) en op 8 oktober 1822 (de bediende).